Feijenoord 200 jaar? Maatschappelijk ondernemer verzint geschiedenis.
(We zijn nog bezig)
In augustus 2026 kwamen TV Rijnmond en de NOS met het verhaal, dat de Rotterdamse wijk Feijenoord 200 jaar bestaat. Die 200 jaar is verzonnen door wijkraadslid Jup de Heer, ‘maatschappelijk ondernemer’ en tv-producent. In het artikel van TV Rijnmond (in typisch rechtse Rijnmond-stijl wordt er dus een ontevreden bewoner aan het woord gelaten: “Wij als bewoners worden voor mijn gevoel niet meer gehoord.”) wordt beweerd dat 200 jaar geleden pionier Gerhard Moritz Roentgen een stoommaatschappijtje begon op de zandplaat in het voormalige Pesthuis. Volgens hem begon de hele Rotterdamse haven van Rotterdam op Feijenoord. Op zuid was, zo stelt De Heer, op de vissersdorpjes Katendrecht en Charlois na, helemaal niks: “Het was allemaal weiland”. Geen enkele bewering van De Heer klopt.
TV Rijnmond revancheert zich op 16 september enigszins. Maar ook in dit bericht de nodige omissies. Om te beginnen: ik heb geen bewijs van een galg op het eiland gevonden, en betwijfel de juistheid (zie verderop). Dan: de komst van Roentgens fabriek wordt een sprong over de rivier van de stad Rotterdam genoemd. Maar: het eiland en het pesthuis waren eigendom van de stad, het gebied viel onder de jurisdictie van het ambacht West-IJsselmonde, tot 1869. In het Pesthuis bevond zich al eerder een fabriek, waar arme kinderen aan het werk werden gezet. Het wordt niet genoemd.
Het bericht zal voor NRC reden zijn geweest om op 1 september ook uit te pakken met het nieuws over het zogenaamde 200-jarig bestaan van Feijenoord. Ook in dat artikel staat de nodige historische onzin.
Wat klopt er in het NRC-artikel allemaal niet? Het Rotterdams stadsbestuur zou tweehonderd jaar geleden ‘de sprong over de Nieuwe Maas’ hebben gewaagd. Dat deed het al minstens 435 jaar geleden. In het artikel stelt stadshistoricus Paul van de Laar, dat de bewoners van Feijenoord al tweehonderd jaar inschikken voor nieuwe groepen. Hij zal het hebben over de bewoners van de arbeiderswijk, die circa 140 jaar bestaat. Deze buitengewoon hoogleraar geschiedenis van Rotterdam diskwalificeert zich hiermee volledig.
Bij TV Rijnmond beweert De Heer, dat op Feijenoord ‘de hele haven van Rotterdam’ is begonnen. Dat is natuurlijk een krankzinnige stelling. Al in de middeleeuwen was Rotterdam een havenstad. In het pesthuis zouden pestpatiënten zijn opgevangen. Niet dus. Roentgen zou ‘op de zandplaat’ een ‘stoommaatschappijtje’ zijn begonnen. Het was een scheepswerf met machinefabriek.
Een oord of noord is een gors, een uiterwaard of een eiland, waar je dus prima op kon wonen, ook al werd het niet altijd beschermd door een dijk. Feijenoord was lang buitendijks. Dat is meestal geen probleem. Ik woon (in 2026) buitendijks aan de Nieuwe Maas, het Noordereiland is ook niet bedijkt. Wel waren er al vroeg beschermende dammen aan de noordoost- en de westkant. Het zou tot de komst van scheepswerf en machinefabriek Fyenoord een ongerept moerassig eilandje zijn geweest. Onzin, zoals hieronder blijkt. Met Roentgen begon tweehonderd jaar geleden bedrijvigheid op de zandplaat, wordt ook beweerd. Het was geen zandplaat, er was al lang heel wat bedrijvigheid.

Kaart uit 1646. Stadsarchief Rotterdam. Zie de ‘noort dam’ en de ‘zuydt-oost-dam’ en het rijs-dammetje met het houten hoofd. Het eiland is verdeeld in ‘Oudt Fijen Noordt’ en ‘Nieu Fijen Noordt’. Bij de noorddam zien we ook de Rotterdamse boomkwekerij. Om het eiland is er een liesbos, waarin ook biezen groeiden. Net als de bomen werd de opbrengst daarvan geveild.
Fyenoort was wellicht oorspronkelijk van een familie Fye, Feije, Fye of Van der Fye. Die laatste twee namen kwamen ook in Rotterdam voor in de 17e eeuw. Het zou al in 1591 voor tweederde door de stad Rotterdam gekocht zijn. In 1658 zou de rest aangekocht zijn. Wellicht verwijst dat naar de verdeling van het eiland in Oudt Fijen Noordt en Nieu Fijen Noordt op de kaart uit 1646.
Het eiland Brienenoord werd halverwege de 19e eeuw door baron Van Brienen van de Groote Lindt, inclusief de zalmrechten daar, gekocht. Dat was 50 jaar eerder overigens wel degelijk als een zandplaat ontstaan. In de buurt van Rotterdam heb je ook nog Heinenoord.
In 1795 was besloten het eiland te bedijken. Dat was vooral bedoeld als werkgelegenheidsproject.

Rapport en decreet van het Commité van Algemeen Welzijn, gedateerd 22 september 1795. Behorend bij het Requeste van Wethouders en Raaden der stad Rotterdam. De Provioneele Representanten van het volk van Holland. Het verzoek werd 2 oktober goedgekeurd. De kosten waren voor het landsbestuur. Tot en met 1836 werd er vrijstelling van verpondingen voor de in te dijken landen verleend.
Honderden zieken, geen pestlijders, wel veel gewonde soldaten.
Het Pesthuis stond sinds 1722 (1716 volgens andere bronnen) op het eiland Feijenoord. De laatste grote pestepidemie was echter in 1666. Nog in de 20ste eeuw heette het gebouw ‘Pesthuis’, maar het heeft nooit als pesthuis gefunctioneerd. Tot 1747 stond het Pesthuis leeg. In dat jaar werd het voor enkele jaren een hospitaal. In 1781 (in de 4e Engelse oorlog) werden er Engelse krijgsgevangenen opgesloten. In 1792 vormde het volgens een boek voor de jeugd ‘eene grootsche vertooning’.
Het (voormalig) Pesthuis, ca 1800. (GAR)

In het midden van het Pesthuis was een plaats met een soort bassin, waarin met hoog water middels een buis vers rivierwater werd aangevoerd.

Feijenoord in 1818.
Het voormalige Pesthuis, gescheiden van het ‘buiten weiland’ door een gracht.

Het Pesthuis werd vervolgens omstreeks 1794 in een marinehospitaal (’s Lands Hospitaal) veranderd. Ons land voerde toen in binnen- en buitenland oorlog, eerst met Frankrijk, dat ons land in 1795 binnenviel. Het vechten tegen de Fransen zorgde voor heel wat gewonden. Op de dijken van het eiland werden in augustus en september 1794 houten loodsen geplaatst, waarin nog eens 2000 gewonde en zieke soldaten konden worden opgevangen.

Rotterdamse Courant, 11-9-1794.
Die verbleven dus op het eiland. Voor iedere 15 patiënten was er een verzorger. Er was meer medisch personeel: chirurgijnen, een hospitaal-moeder en een diëtist. Medisch directeur (‘dirigeerend Doctor’) was M.J. de Rhoer. Bij zijn huwelijk op 11 februari 1797 woonde hij nog steeds op ‘Fijenoort’ (“onder West IJsselmonde”), net als zijn bruid, de weduwe Petronella Papegaaij.

Ondertrouw Matthias Johannes de Rhoer en Petronella Papegaaij. (Archieven van de ambachten Oost- en West-IJsselmonde en de gemeente IJsselmonde, en de ambachtsheerlijkheden, inv.nr. 2018.)
Eind augustus 1794 waren er nog zo’n 900 patiënten. 500 militairen werden voldoende opgelapt om weer naar hun eenheden terug te keren. Er waren slechts 97 man overleden. Waar werden die begraven? Ik vind ze niet terug in de stadsarchieven. De locatie werd ook gebruikt voor quarantaine van zieke zeelieden. Binnen enkele jaren werd het gebouw een kweekschool voor de marine.
Rotterdamse Courant, 22-06-1797
Gerardina overleed op Fyenoort, het overlijden werd geregistreerd in West-IJsselmonde. Ze werd begraven in haar geboortestad Schiedam.
.

Fabriek voor de arme jeugd: de Amsterdamse gemeenteraad grijpt in.
Over de kinderen, het personeel en de regenten lees je HIER meer.
In 1812 kwam er in het Pesthuis een inrichting met fabriek voor het ‘opvoeden’ van kinderen uit arme gezinnen, tussen de 8 en 14 jaar. In een boek van het bureau monumenten van de gemeente Rotterdam uit 2008 wordt het eufemistisch ‘een werkschool’ genoemd. Kinderen konden vanaf 1812 bij particulieren aan het werk worden gesteld en in een armenfabriek als deze. Deze was gesticht door de koopman Gerrit Jan Ter Hoeven, die in Arnhem eerder een ‘leer- en spinschool’ had in het voormalige Sint Catharinagasthuis. In 1804 wist hij zich te laten benoemen tot secretaris en schout van Hillegersberg. Later, in de Franse tijd, was hij er maire. In 1803 voerde hij enkele processen voor het Hof van Holland. Het Rotterdams armenbestuur stuurde direct vijftig kinderen. Maar het Rotterdams Burgerweeshuis vertrouwde de man niet, omdat Ter Hoeven vooral zoveel mogelijk wilde verdienen aan de kinderen. Het Amsterdamse aalmoezeniersweeshuis liet zich wel overhalen door zijn regent Cornelis Vollenhoven. Tussen 13 juni 1815 en 8 oktober 1816 stuurde het weeshuis 217 kinderen naar Feijenoord.
Op 6 augustus, vertrekt een zoon van Ter Hoeven naar Middelburg waar hij 50 burgerwezen zal ‘overnemen’. Een gecommitteerde had het instituut bezocht en, met goedkeuring van de burgemeesters, besloten de kinderen per direct naar Feijenoord te sturen. In 1812 was in Middelburg het Armenweeshuis op het Noordpoortplein opgeheven. De aanwezige kinderen werden zoveel mogelijk geplaatst bij particulieren, maar het in 1815 aangetreden College van Regenten over de Godshuizen koos ervoor om de wezen naar Feijenoord te sturen. In totaal belandden minstens 116 kinderen uit Middelburg in het instituut.

Armweesschool of Armweeshuis aan de Korte Noordstraat te Middelburg. De ruiters dragen 17e eeuwse kledij, maar de tekening is uit de 19e eeuw. Cornelis Springer (1817-1891). Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel II, nr 671.
De fabrikant had beloofd, dat hij voor 50 gulden per kind ze goed zou voeden en kleden en hen een vak zou leren. Overigens moest voor kleding apart worden betaald. In een ronkende tekst uit 1817 wordt beweerd, dat de kinderen moesten werken, deels ’ter hunner onderrigting’. Maar ze zouden ook les krijgen in lezen, schrijven rekenen, natuurkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, zedekunde en zingen. Ze werden bovendien zedelijk en godsdienstig opgevoed. Naast werken hadden de kinderen tijd voor eten, ‘uitspanning’ en rust, Hun gezondheid en lichamelijke krachten werden bevorderd. In 1814 gaf Koning Willem I 6000 gulden subsidie aan “de Fabrijk ten Nutte der Armen Jeugd”. De koning wilde ook, dat de fabriek bij alle armengestichten in ons land aanbevolen werd. De vrome Willem de Clercq bezocht de fabriek en werd tot tranen toe bewogen, toen de spinnende kinderen hem „uit zich zelven begroetten met een lied over de goddelijke almacht” op de wijze van „God save the king”.
Maar al in 1814 werd de fabriek onderzocht en werden kinderen voortdurend mishandeld. Bij het kleinste vergrijp kregen ze stokslagen of vuistslagen in het gezicht. Anderen werden in een donker hok aan de muur geketend en op water en brood gezet. Het werk was veel te zwaar, het eten was beroerd, van hygiëne was geen sprake. Ter Hoeven en zijn zeven zonen voerden een schrikbewind. Een onderzoekscommissie van de staat stelde kort daarna vast, dat er niets dan armoede en ellende heerste. Kleren waren volledig versleten, het ontbrak aan voorraden brandstof en voeding. Het kon de autoriteiten, en met name Koning Willem I weinig schelen. In 1816 stierven er vier kinderen uit Middelburg. Op 24 januari stierf de 14-jarige Jacomina Jacoba Oudshoorn. Op 17 september overleed Hendrica van St. Annaland, 11 jaar. De 13-jarige Anthonis Pouwelsen stierf op 7 november, de 11-jarige Neeltje Drost op 1 december. Het overlijden van de laatste drie werd ook door de stad Middelburg geregistreerd.
In 1817 overleden drie Amsterdamse kinderen. Dat was reden voor de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis om twee van hen naar Feijenoord te sturen, de Bruine en Jacobien. Ze bezochten de fabriek onverwacht. In de Spinzaal deelden de kinderen één kroes met paardenbloemenvocht gemengd met water. De fabrieksdirecteur probeerde te verhinderen, dat de commissie met de kinderen sprak. Volgens hem waren het allemaal deugnieten. Van onderwijs bleek geen sprake. De kinderen hadden geen enkel plezier in de onbetaalde arbeid. Ze waren apathisch geworden en wilden niet meer spelen. De slaapzalen waren vies, de ramen kapot en met lappen dichtgestopt. Het beddengoed werd drie keer per jaar verschoond. Er was te weinig en slecht eten. Het vlees was bedorven.
Het gemeentebestuur van Amsterdam gaf Ter Hoeven twee maanden de tijd om verbeteringen aan te brengen. Dat gebeurde niet. In 1817 wilde het alle kinderen terughalen, maar Ter Hoeven weigerde dat. De Dordtse rechtbank moest hem daartoe dwingen. Op 21 september keerden de kinderen naar Amsterdam terug. Na sluiting van de fabriek vluchtte Ter Hoeven naar Amerika.

Journal du département des bouches de la Meuse = Dagblad van het departement der monden van de Maas, 30-1-1813. Het is een verslag van een bezoek de Prefect van de Monden van de Maas aan het Stadhuis in Rotterdam, gedateerd 19 januari 1813.
Ook de andere wezen keerden terug naar de instellingen en steden, waar ze vandaan kwamen. Was dat enkele jaren later gebeurd, dan waren alle kinderen afgevoerd naar Drenthe, naar de Koloniën van Weldadigheid. Die organisatie was in 1818 opgericht, maar ving dat jaar alleen nog maar een vijftigtal verpauperde gezinnen als proef op, Pas in 1823 werden weeskinderen uit het hele land afgevoerd naar Veenhuizen, wettelijk verplicht. De Rotterdamse kinderen keerden in 1818 weer terug naar het Armenhuis. De stad Middelburg haalde in januari haar 110 op Feijenoord ondergebrachte wezen per Rotterdams beurtschip weer naar huis.

Opregte Haarlemse Courant, 17-01-1818.
Roentgen en een stoomkatoenspinnerij voor wezen en bedelaars.
Veenhuizen was een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, opgericht door een andere ondernemer en politicus die zich bezighield met het aan het werk zetten van de stedelijke armen, generaal Johannes van den Bosch. Het was een onvrije kolonie, waar wezen vanaf 1824 verplicht werden heen gestuurd. Er kwamen nog twee gestichten voor bedelaars. Waren wezen en bedelaars ‘onwillig’, dan werden ze naar de strafkolonie Ommerschans gestuurd. De Maatschappij hield zich aanvankelijk bezig met al dan niet vrijwillige landarbeid. Maar in 1835 wilde Van den Bosch in Veenhuizen een katoenspinnerij stichten en in Ommerschans een lakenweverij, goed voor 800 arbeiders. Hij was inmiddels Minister van Koloniën, kwam net terug uit Nederlands Indië en zag daar een afzetmarkt, waarvoor niet hoefde te worden geconcurreerd met de vrije markt. Waarschuwingen, dat de honderden bedelaars hooguit wol konden pluizen, sloeg hij in de wind. In 1836 begon hij in Ommerschans een koffiebaalweverij. In 1840 fabriceerden de bedelaars er meer dan 370.000 jute zakken. Maar voor Veenhuizen wilde hij meer, en wel stoomfabrieken. Op een Rijnreis had hij Roentgen ontmoet, terwijl hij al in 1835 in Engeland onderzoek gedaan had naar de mogelijkheden. Roentgen stelde voor om te beginnen met een niet te kleine spinfabriek. Hij zou dan op Feijenoord zoveel mogelijk de machines vervaardigen, en de overige uit Engeland laten smokkelen: Engeland kende een exportverbod voor stoommachines. Roentgen begrootte de installatiekosten op fl. 400.000, de jaarproductie op fl. 300.000 en de winst op fl. 24.000. De Oostenrijker Holtzer werd al vast aangesteld als directeur en eind 1836 verzocht Van den Bosch aan koning Willem I toestemming om een half miljoen gulden ontginningssubsidie te mogen besteden aan een stoomkatoenspinnerij in Veenhuizen. De koning vroeg advies aan de Minister van Koloniën, Van den Bosch. Die was enthousiast over zijn eigen voorstel, ook vanwege het nationale belang. De regeringscommissarissen bij de Maatschappij vonden het opstarten van een fabriek geen goed idee, maar Van den Bosch wees hen erop, dat de meeste kolonisten ongeschikt bleken te zijn voor landarbeid. Je had 1600 kolonisten nodig voor werk dat hooguit 100 gezonde landarbeiders konden doen. Het project was dus eigenlijk mislukt. De fabriek zou werk verschaffen aan 272 mensen, van wie er maar 25 valide hoefden te zijn. Roentgen kreeg fl. 200.000 van de Maatschappij van Weldadigheid (geld dat natuurlijk ook aan de wezen en bedelaars had kunnen worden besteed) om zijn fabriek op Feijenoord te vergroten, zodat alle machines er gemaakt konden worden. In 1838 werd het contract gesloten voor de fabriek in Veenhuizen. In 1840 pas werd na allerlei tegenslag de fabriek voltooid.

Het gebouw van de voormalige stoomkatoenspinnerij Oud Bergveen uit 1839. Het is nu een B&B.
Een galgenveld op Feijenoord?
Her en der vind je vermeld, dat op het eiland het Rotterdamse galgenveld was. Ik vind dat onwaarschijnlijk. In oude bronnen of op oude kaarten vind je die niet terug. Wikipedia geeft een overzicht van galgenvelden per stad. Rotterdam komt er niet in voor. Het eiland was weliswaar eigendom van de stad Rotterdam, maar was grondgebied van de ambachtsheerlijkheid West IJsselmonde, een andere jurisdictie. Overigens woonden er in 1795 201 mensen in heel West-IJsselmonde.

Oudst bekende kaart van Rotterdam, ca. 1512. Rechts zie je Delfshaven, onder Overschie. Linksboven Rotterdam en iets daaronder een galg waar nu het Stadhoudersplein is. SAR.
Een galgenveld was bedoeld voor afschrikking van reizigers en burgers. Feijenoord was niet goed vanaf een toegangsweg zichtbaar. Er was een galgenveld op de plek van het huidige Stadhoudersplein, niet ver van het gerechtsgebouw.
Jan Bulthuis, 1790, Het Rotterdams Armenhuis. Rijksmuseum.

Arcadië.
Het eiland Feijen Oort (volgens reisboekenschrijver Van Ollefen in 1797 ‘gemeenlijk’ Noord genoemd) werd een ‘stadsheerlijkheid’. In 1789 beschreef ‘De jonge reiziger door Nederland’ (Jan A. Backer) het “zeer vermaaklyke strook lands”, waar je uren kon wandelen.

Uit: Jan A. Backer, De jonge reiziger door Nederland. Deel II. Amsterdam: Langeveld, Dirk Meland, 1789. P. 432
Het verwondert de schrijver niet, dat de Rotterdamse dichter [K.] Elzevier het zijn Arcadia noemt. Het gedicht van Kornelis Elsevier. Arkadia of vermakelijke uitspanningen, verscheen in 1739, speelde zich dus af op het eiland, en is nergens terug te vinden! Bij arcadië denk je niet aan een zandplaat. Op Feijenoord situeerde hij de herders en herderinnen.
Arcadia’s (‘herdersromans’) werden in de 17e en 18e eeuw een literair genre. Ze werden vaak gekoppeld aan een bepaalde stad of landstreek, en bevatten daardoor veel topografische en historische feiten. In Elseviers Arkadia is dat nauwelijks het geval, behalve dan dat hij het herdersleven laat plaatsvinden op het eiland Feijenoord als contrast met het drukke Rotterdam. (Hans Groot, ‘Achttiende-eeuwse arcadia’s: tussen literatuur en geschiedenis’. In: Holland, jg 17 (1985), nr 34. Uitg. Historische Vereniging Holland. P. 247-248.)

Fragment uit: K. Elzevier, Drie Dichtproeven, benevens een Proef van een Nieuwe Nederduitsche Spraekkonst; de waere Dichtkonst, Haarlem, 1761. In Komrijs De Nederlandse poëzie staan zes gedichten van hem.
In 1814 bezocht eerder genoemde Willem de Clercq het eiland. “Fijenoord is zeker een van de aangenaamste oorden die ik immer gezien heb. De luchtstreek is er voortreffelijk, en de uitgestrektheid van het eiland groot genoeg om de gedachte van op zulk een kleine plek opgesloten te zijn, te doen verdwijnen. Een overheerlijke rij van boomen omkranst het geheele eiland, welks midden uit vette gronden en welige landerijen bestaat”. Het eiland functioneerde dan ook als een plantage. De stadskwekerij was er op gevestigd. Het produceerde hout van essen, iepen, linden en kastanjes, en daarnaast diverse soorten riet. De productie werd geveild. Zo boden burgemeesters en fabriekmeesters in 1696 ongeveer 2500 essen afkomstig van het eiland Fyenoort te koop aan.
Rotterdamse Courant, 4-11-1794.

Roentgen kocht het terrein van het voormalige Pesthuis in 1825, 201 jaar geleden dus. In dat jaar werd een subsidieregeling voor de bouw van stoomschepen van kracht. Die regeling betekende, dat het Rijk ongeveer 10% van de totale bouwsom op zich nam. Roentgen had in 1824 het eerste houten rivierstoomschip laten bouwen, de Rijn, opgeleverd in het jaar daarop. De stoommachine kwam, waarschijnlijk gesmokkeld, uit Engeland. Cockerill uit Luik zorgde voor de assemblage van de machines. Ter bescherming van zijn lijndienst over de Rijn verzette Roentgen zich overigens aanvankelijk met succes tegen de aanleg van een spoorlijn tussen Amsterdam en Arnhem.

De eerste Nederlandse stoomboot ‘De Rijn’. Afbeelding uit 1830. Het schip was toen omgedoopt tot ‘Friedrich Wilhelm’, in 1831 tot Prins Frederik. De romp was gebouwd door Hoogendijk in Capelle aan den IJssel, terwijl Cockerill voor de stoomaandrijving zorgde. Opdrachtgever was de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij van Roentgen. Het schip werd in 1844 gesloopt.
Roentgen stichtte dus geen ‘stoomfabriek’ maar een scheepswerf, voor het reparen en de nieuwbouw van stoomschepen, in eerste instantie voor zijn Nederlandse Stoombootmaatschappij. Al in 1826 werden er ook stoomketels gebouwd. In 1841 stonden er op het eiland 79 personeelswoningen. Dat is een heel vroege fabrieksnederzetting in ons land, maar hierover is voor zover ik weet verder niets bekend.
Scheepswerf en machinefabriek Fijenoord in 1850.


Het voormalige Pesthuis in circa 1906.
De arbeiderswijk Feijenoord kwam tot stand tussen 1885 en 1910. De Nassauhaven werd in 1890 gegraven. Feijenoord was bepaald niet het begin van de Rotterdamse haven, zoals De Heer beweert. Overigens was Feijenoord weliswaar eigendom van de stad en later de gemeente Rotterdam, maar het behoorde tot 1869 tot het grondgebied van de gemeente IJsselmonde. Mijn overgrootvader Mattheus Adrianus Kentie kwam vanuit IJsselmonde via de Varkenoordsche Kade omstreeks 1906 op de Nassauhaven Oostzijde 98a te wonen. Die straat werd al snel omgedoopt in Nijverheidstraat. Het blok waarin hij woonde werd in of omstreeks 1901 gebouwd en is inmiddels gesloopt. Een deel van de oorspronkelijke bebouwing staat nog overeind. Op een ochtend in 1908 trok mijn opa er de deur dicht om naar zijn werk als schildersknecht te gaan. Hij was toen 12 jaar.
Wat kunnen we dus vieren in 2026?
201 jaar geleden: stoombootreder Roentgen begint in voormalig Pesthuis zijn werf Fyenoord.
141 jaar geleden: ontwikkeling arbeiderswijk Feijenoord begint.
435 jaar geleden: Rotterdam deels eigenaar van eiland Fijenoord.
Circa 305 jaar geleden: bouw Pesthuis op eiland Fijenoord.
231 jaar geleden: eiland Fijenoord bedijkt.
208 jaar geleden: kinderarmenfabriek, 4 jaar eerder gesticht door Koning Willem I, weer gesloten.
157 jaar geleden: Feijenoord door gemeente Rotterdam geannexeerd.
120 jaar geleden: mijn overgrootvader Mattheus Adrianus Kentie verhuist naar de Nassaukade Oostzijde, enige jaren later vernoemd tot Nijverheidsstraat. Enkele jaren later komt Willem Bernhard bij hem inwonen, zoon van poldergast Johan Hendrik Bernhard, achterneef van de hoofd-provoost van het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam, ook Johan Hendrik Bernhard.
Bronnen.
NOS.
Nieuw geschenk voor de jeugd. Deel II. Amsterdam: Johannes Allart, 1792.
Leon van Meijel, Heide Hinterthür, Els Bet, Rotterdam-Zuid. Rotterdam ds+v bureau monumenten, 2008.
Ben Maandag, Rotterdam Centraal. Deel 1. Rotterdam: Trichis Publishing, 2014.
Kornelis Elzevier, Arkadia, of Vermakelyke uitspanningen. Met noodige aentekeningen. Rotterdam: Hendrik Maronier en Dirk Hartigsvelt, 1739.
Jan A. Backer, De jonge reiziger door Nederland. Deel II. Amsterdam: Langeveld, Dirk Meland, 1789.
Decreeten van de Provisioneele repræsentanten van het volk van Holland. Vijfde deel, eerste stuk. ’s-Gravenhage: ’s Lands Drukkerij, 1799. P. 350.
Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in de Vereenigde Nederlanden voor den jare …, 1817. [Leiden]: Du Mortier, 1817. P. 188-189.
Stadsarchief Amsterdam: 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger, inv.nrs. 340, 371 en 372.
Nationaal Archief, 8 Archieven van de ambachten Oost- en West-IJsselmonde en de gemeente IJsselmonde, en de ambachtsheerlijkheden 817 1812 – 1829
Stadsarchief Rotterdam, 8 Archieven van de ambachten Oost- en West-IJsselmonde en de gemeente IJsselmonde, en de ambachtsheerlijkheden. Inventarisnummer: 817. Aktenummer 1816.25.
Zeeuws Archief. 25.MDB-O-1816 Middelburg overlijdensakten burgerlijke stand. Aktenummer 399.
https://www.zeeuwsarchief.nl/zoekgids/weeshuizen-in-middelburg
Nanda Geuzenbroek, Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam; 1780-1830. Hilversum: Verloren, 2020.
J.J. Westendorp Boerma, Een geestdriftig Nederlander; Johannes van den Bosch. Amsterdam: N.V. Em. Querido’s Uitgeversmij, 1950.
De drie gasthuizen te Arnhem; herinneringen uit zeven eeuwen. Arnhem: Gemeentemuseum, 1952.
https://www.shhs.nl/geschiedenis/hillegersberg-tot-1811/hillegersberg-tot-1811-geografisch-en-bestuurlijk
W.J. Zip, Het armweeshuis te Middelburg sedert de stichting in de Noordstraat tot de tijdelijke sluiting op het Noordpoortplein, 1572-1812: geschiedkundige aanteekeningen. Middelburg: J.C. & W. Altorffer, 1861.
Delpher: Groot aantal krantenberichten uit 17e, 18e en 19e eeuw.