Voorouders V: Den Bommel, Zaltbommel: who cares? Het korte leven van Maria Berkhof(f).

Van mijn voorouders die geboren werden vanaf zeg circa 1750 is niet veel bekend. Anders dan van hun voorgangers kennen we van de meesten wel een geboorte- of doopdatum, de data van ondertrouw en huwelijk en wanneer ze overleden of werden begraven. Soms kennen we een beroep, of weten we welk stuk grond ze ooit pachtten. Maar daarmee houdt het ongeveer op. Ze waren te arm en onbeduidend om indruk te maken, en leefden een niet of nauwelijks geregistreerd leven. Alleen de grootste pechvogels maakten kans op nog wat meer sporen: zij die in een of ander instituut belandden: een gasthuis, een gevangenis, een kolonistenkolonie. Een van hen is een oudtante van mijn oma Kentie (Alida Berkhof).

Maria Berkhoff was de jongste zus van oma’s grootvader. Ze werd op 11 augustus 1819 in Den Bommel op Goeree-Overflakkee geboren als dochter van Cornelis Arents Berkhoff (ook Berkhof) en Francina Kaghelland (ook Kaghelant, Kagchelland, Kaggeland, Kagche, Haggeland). Francina overleed op 13 augustus 1838. Ze was toen weduwe, maar een overlijdensdatum voor Cornelis kon niet worden gevonden (”en bron noemt 30-11-1828). Had Maria zorg nodig, en kon niemand dat bieden? Op 22 december 1841 werd ze ingeschreven in Veenhuizen. Ze is 1 meter 50 groot, had bruin haar, blauwe ogen en verder geen ‘merkbare teekenen’. Hoe ze daar belandde, en waarom, is niet duidelijk. In 1822 had de regering bepaald, dat alle weeskinderen in gesubsidieerde weeshuizen naar Veenhuizen moesten worden overgebracht. Dat gold ook voor het Amsterdamse Aalmoezeniersweeshuis, dat niet zonder subsidies kon. De regenten waren er zwaar op tegen, maar in 1824 zwichtten ze.

Alexander Cranendoncq, Volksprent, uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, 1850.

Ze stuurden 600 kinderen naar het derde gesticht, een van de drie gestichten die in 1823 voor de weeskinderen waren gebouwd. Mijn voorouder Johan Hendrik Bernhard was toen hoofd-provoost (zeg maar directeur) van het Aalmoezeniersweeshuis, en verloor zijn baan. In Veenhuizen waren in 1823 drie grote gestichten voor weeskinderen gebouwd. Elk gesticht had plek voor 1200 kinderen. Maar er bleken lang niet genoeg wezen te zijn. Daarom werd een van de gestichten bestemd voor bedelaars en zwervers. De 22-jarige Maria was weliswaar wees, maar geen kind meer; ze was dus een bedelaar of een landloper. Een jaar na haar opname, op 24 december 1842 werd ze weer ontslagen. Na

Gezicht op het Derde Gesticht in Veenhuizen. H. van Geelen, 1827.

Maria Berkhof (met één -f) duikt vervolgens op in Amsterdam: ze werd op 12 augustus 1844 in het Buitengasthuis opgenomen, op de ‘Vrouwen Syphilitis’ afdeling. Ze is 25, heeft geen beroep, krijgt kribbe T34 toegewezen, is ongehuwd, woont aan de Goudsbloemgracht, maar komt uit [Den] Bommel. Haar vader, Cornelis, was werkman, beide ouders zijn overleden, en ze is g[ereformeerd]. Ze ligt er 111 dagen: op 1 december 1844 mag ze naar huis.

Had je in die tijd een zwak gestel, dan kon je beter niet in een ziekenhuis belanden, maar al helemaal niet in het Buitengasthuis in Amsterdam. In 1853 berekende een van de twee geneesheren van het Buitengasthuis, dat in de twaalf jaar daarvoor 231 patiënten waren gestorven, en niet zozeer vanwege hun ziekte, maar door het gasthuis zelf. Bezoekende buitenlandse artsen zien in die jaren ‘un asile de douleur’, ‘un véritable enfer’, met personeel, dat ‘abschreckende Bilder der Roheit, Trägheit und Unreinlichkeit sind’. Binnenkomende patiënten, onder wie veel bedelaars, werden niet gebaad en kregen geen ziekenhuiskleding, maar werden met vuile kleren vol ongedierte in de kribben gelegd.

[J.A. Verdoorn (1991), p. 134-135.]

Het Buitengasthuis in 1886.

Op 22 februari 1845 is Maria weer terug in het Gasthuis. Ze woont nu in de Barndesteeg in het centrum van Amsterdam (zie F. Bordewijk, Bij gaslicht (1947) over ‘het grootste armoedepand’ van Amsterdam in de Barndesteeg). Nog steeds staan er in die straat overblijfselen van het oude Bethaniënklooster, circa 1450 gesticht voor ‘gevallen vrouwen’. Het klooster werd na 1578 veranderd in woonruimte. Het is nog steeds een straat met raamprostitutie. En er worden nog steeds dak- en thuislozen opgevangen, door het Leger des Heils. Het is natuurlijk niet zeker, dat Maria prostituee was. Maar syfilis, woonadressen en het feit, dat ze later naar Veenhuizen werd afgevoerd, zijn sterke indicaties.

Op 24 juni mocht ze na 122 dagen weer naar huis. Op 9 juli het jaar daarop werd ze weer opgenomen. Ze was nu ergens dienstmeid of werkster, woonde in de Hoefijzergang (dat waren er twee, de Nieuwe en de Oude) bij de Koestraat, “inpandige krotten”, waar grote ellende heerste (http://www.onsamsterdam.nl/component/content/article/15-dossiers/dossiers/2735-de-koestraat-sjiek-en-sjofel).

De Nieuwe Hoefijzergang bij de Koestraat.

Ze verblijft meer dan een jaar in het Buitengasthuis. Pas op 2 juli 1847, na 358 dagen, ging ze naar huis. Het kan niet anders, of ze was er beroerd aan toe. We verliezen ook even zicht op haar, maar een jaar later duikt ze weer op in de archieven: Op 8 mei 1848 belandde ze voor de tweede keer in Veenhuizen, opgepakt en veroordeeld in Leiden wegens bedelen. Ze stierf op 17 mei 1851 om 9 uur ’s ochtends in het Derde Gesticht te Veenhuizen. In Norg wordt haar overlijdensakte opgemaakt. Ze heet nu Maria Berkhoff, met een dubbele -f, en komt volgens de akte uit Zaltbommel. Ze is 31 jaar. Haar overlijdensakte (nu weer als Maria Berkhof) wordt ook geregistreerd in Zaltbommel, op basis van een extract van de gemeente Norg. Ze was in Norg koloniste, en afkomstig uit Zaltbommel, een plaats waar ze waarschijnlijk nooit eerder was geweest, maar waar haar overlijden desondanks werd verwerkt in de Burgerlijke Stand.  Zaltbommel ligt zo’n 100 kilometer van Den Bommel.

Aanvulling oktober 2019. En zie wat er nu op de Wiewaswie-site staat vermeld bij Maria Berkhof.

Vier weken nadat Maria het Buitengasthuis voor de laatste keer verliet, op 29 juli 1847, werd Gerritje Spinhoven opgenomen vanwege een vrouwenziekte. Ook zij had een dienstje en was ongehuwd. Ze is 28, woonde in de Weesperstraat op nummer 27 en het was onbekend wie haar ouders zijn. Op 11 oktober mocht ze weer naar huis.

Op 15 juli 1848 is ze terug, op 24 juli werd ze weer ontslagen. Maar op 19 september werd ze weer opgenomen. Ze zou nu werkster zijn, en woonde in de Weesperstraat op de hoek van de Keizersgracht, op nummer 26. Pas op 30 juni 1849 kon ze weer naar huis. Twee weken later, op 13 juli 1849, overlijdt ze, in het Buitengasthuis. 

Maar Gerritje had Veenhuizen overleefd. Ze werd op 9 november 1817 geboren in Utrecht. Haar moeder heette ook Gerritje, en is een voorouder van mijn dochter (via haar moeder, natuurlijk). Moeder Gerritje had op 8 maart 1803 al een kind laten dopen, van wie de vader niet bekend was. Ze trouwde twee jaar later met Arij van der Tol, kreeg met hem enkele kinderen, en was nog steeds officieel met hem gehuwd, toen Gerritje werd geboren. Het kind kreeg desondanks moeders achternaam: de vader is onbekend.

Een maand later, op 9 december 1817 om 9 uur ‘s avonds werd baby Gerritje op de Prinsengracht in Amsterdam vlak bij de Utrechtsestraat, dus waarschijnlijk voor de deur van het Aalmoezeniersweeshuis, gevonden. Ze had een briefje bij zich met haar naam. Ze had een hemdje en een borstrokje aan, en een navelbandje, en wat wollen lappen om zich heen. Op het briefje stond ook haar geboortedatum, dat ze niet is gedoopt, maar wel ‘griffermeerd’ is.

Opnamedocument Aalmoezeniersweeshuis Amsterdam.

Het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht was voor de meest hopeloze wezen en vondelingen: de allerarmsten die vaak geen band met de stad hadden. In die tijd was een voorouder van mij ( een ‘achter-achter-achter-oom’) er eerst boekhouder en later hoofd-provoost. Rond de tijd dat Gerritje werd opgenomen, groeide het aantal weeskinderen enorm. De stad wist zich geen raad: ze kostten bakken met geld. In 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht, die in het Drentse Veenhuizen wezen en vondelingen ging opvangen. Vanaf 6 november 1822 moesten alle weeskinderen in weeshuizen naar Veenhuizen, zodra ze zes jaar waren. De regenten van het Aalmoezeniersweeshuis verzetten zich daar heftig tegen, maar in 1824 gingen ze overstag. Gerritje werd op 17 augustus met tientallen andere kinderen naar Veenhuizen afgevoerd. De reis duurde vier dagen.

In april 1839 werd ze, meldt het archief van het Aalmoezeniersweeshuis, uit Veenhuizen ‘ontslagen’. Ze is dan 21. In 1847 duikt ze weer op, in het Buitengasthuis op de afdeling vrouwenziekten. Ze is dienstmeisje en woont op de Weesperstraat nr. 27. Haar ouders zijn onbekend. Op 1 oktober wordt ze, na 74 dagen, ontslagen. In 1848 is ze weer terug. Nu wordt ze na 24 dagen, op 24 juli, ontslagen. Ze is nog steeds dienstmeisje op de Weesperstraat 27, bij de [Nieuwe] Keizersgracht. Twee maanden later is ze weer terug, op 19 september. Na 284 dagen, op 30 juni 1849, overlijdt ze in het Buitengasthuis, 23 jaar na haar moeder. Weesperstraat 27 werd in 1961 gesloopt ten behoeve van een studentenflat.