Bernard de Gomme, stiefvader van de ‘perverse’ wetenschapper, grootvader van de ‘perverse weduwe’.

Waarschuwing. Expliciete inhoud.

Op 23 november 1685 overleed in Londen de in Terneuzen geboren molenaarszoon Sir Bernhard de Gomme, in de Tower waar hij sinds enkele jaren een appartement van 13 kamers bewoonde en waar hij ‘kantoor hield’ als chief engineer van de Board of Ordnance. Enkele weken voor zijn dood had hij zijn testament opgesteld. Naast onroerend goed en een paarlen halsband had hij 3831 Engelse ponden te verdelen. Meer dan de helft, 2000 pond, ging naar zijn stiefzoon Adriaan Beverland. Kleindochter Katharina Riches ontving 1000 pond. Wie waren zij?

Adriaan Beverland (Ary de Vois, ca. 1676. Rijksmuseum).

Adriaan (Hadrianus) Beverland werd uit Holland verbannen omdat hij volgens de Staten van Holland een boek had geschreven, dat ‘de Christelijcke Jeught alle dertelheydt ende onkuysheidt’ inboezemde en ‘tot allerleye schandelijckheden’ verlokte.

Beverland werd in 1650 in Middelburg geboren. We weten weinig over zijn vader. Die zou als militair in fort Lillo (nu in Vlaanderen) gewerkt hebben. Adriaan claimde later dat hij ‘uit edel bloed’ afstamde (zijn wapen had dat als motto: Generoso sanguine parta). Toen hij een jaar lang doorbracht in de Bodleian Library in Oxford, zette hij ‘Dominus Zelandiae’ (heer van/uit Zeeland) achter zijn naam in het gastenboek. Zijn moeder, Catharina van Deynse, was inderdaad van edel bloed, maar dat was Vlaams. Adriaan had twee oudere broers, Johannis en Christoffel. Hun vader zou in 1654 zijn overleden. Hij moet rijk zijn geweest, want hij liet een aanzienlijke erfenis na.

Wapen van Adriaan Beverland.

Moeder Catharina was de dochter van de Veerse dominee Gideon van Deynse en de kleindochter van beeldenstormer en watergeuskapitein Bernhard van Deynse, heer van Herzelaer en Haesdonck. Deze Bernhard van Deynse was erbij, toen op 25 en 26 augustus 1566 (slechts twee weken na het begin van de beeldenstorm in de Lage Landen) in de kerken van de Vlaamse stadjes Axel en Hulst na de preek de heiligenbeelden werden gesloopt. Later veroverde hij met bewapende burgers uit Gent het stadje Hulst. Catharina trouwde in 1654 in Middelburg met Bernard de Gomme. Met hem kreeg ze, volgens onduidelijke bronnen in 1658 in Lillo, een dochter: Anna. In 1660 vertrok ze met haar man naar Londen. Haar drie zonen bleven achter in Middelburg, onder de hoede van dominee Pieter Coorne. Ze gingen daar, dankzij de erfenis van hun vader, naar de Latijnse school.  Bernard de Gomme, stiefvader van Adriaan en zijn twee broers, was de zoon van Pieter de Gomme, een directe voorouder van mij. Adriaan was dus de ‘stiefkleinzoon’ van deze Pieter.

Isaac Beckett, Hadriaan (Adrian) Beverland. Published by John Smith, after Simon du Bois (or Dubois) Mezzotint, 1686. National Portrait Gallery, Londen.

Toen Adriaan meerderjarig werd (op zijn 25ste, in 1675 dus), kon hij met de 2225 Pond Sterling die hij toen van zijn vader erfde, jarenlang studeren en een forse bibliotheek aanschaffen. Zelf noemt hij overigens iets andere getallen, toen hij in 1709 de balans opmaakte. Hij heeft het dan over land, aandelen en onroerend goed ter waarde van 2160 pond. In Holland gaf hij het grootste deel binnen vier jaar uit: toen hij enkele jaren later in Londen aankwam, had hij nog 500 pond aan geld en 300 pond aan boeken over. Met 1000 pond kon je 185 paarden kopen. Het was 11.111 keer het dagloon van een geschoolde ambachtsman. Omgerekend zou zijn erfenis zo’n 265.000 moderne ponden zijn. In 1680 verkocht hij vanuit Utrecht (waar hij in 1679 stond ingeschreven als advocaat) een obligatie en een huis in Axel, dat als ammunitiehuis in gebruik was. In december daarvoor had hij onroerend goed in Middelburg en Axel verkocht en roerende goederen en effecten, en vorderingen geïnd.

Broer Johannes (Jan) werd dominee. Hij zou in 1660 in Leiden gepromoveerd zijn. Hij werd dominee in Great Yarmouth, waar vanwege de vele Nederlandse immigranten een Nederlandse kerk was. Later was hij dominee in Waterlandskerkje, waarna hij weer naar Engeland vertrok. Er zijn vier brieven van Adrianus aan zijn broer bewaard gebleven, verstuurd vanuit de gevangenis waarin Adrianus in 1679 zat. Johannes vertaalde in dat jaar een boek over de inwijding van de kerk in het Engelse Flixton, decennia eerder geschreven door John Brinsley: J.B., ecclest. in Waterlandt, De heerlijkheyt van den tempel: geopent in een predicatie op het inwiën ofte herstellen van de parochie-kerk van Flirton [lees: Flixton] in ‘t Eylant van Lovinglant, in de provincie van Suffolke, zijnde zomtijds de moeder-kerk vande Oost-Engelsen, op den 11. Maart 1630. Middelburg: Aäron van Poulle, 1679. We weten van broer Christoffel, omdat Adriaan diens dochter in zijn testament noemt.

In 1669 schreef Adriaan zich in als student in de letteren en de wijsbegeerte aan de Universiteit van Franeker. Daar woonde hij in bij de strenge hoogleraar in de theologie Nicolaus Arnoldus.

Nicolaas Arnoldus, prent naar Pieter Schick (1654). Rijksmuseum.

Vervolgens studeerde hij filosofie en klassieke letteren in Leiden en, in 1672, in Oxford. In 1676 bevond hij zich weer in Franeker. Op 22 maart 1677 promoveerde hij in Utrecht als jurist. In dat jaar publiceerde hij als rechtsgeleerde een pleidooi “in cas van Falsiteyt”. Het lijkt mij een ‘fake-pleidooi’: het is wijdlopig, erg vaag en volgestopt met juridische begrippen en verwijzingen naar de Oudheid. Het is wellicht zijn ‘afstudeerscriptie’. Hij was toen al zeer geïnteresseerd in het pantheïsme en de erotische literatuur van de klassieken. Hij had al ongeëvenaarde aantallen klassieke teksten bestudeerd. In Oxford had hij een jaar lang vooral in de Bodleian Library doorgebracht. In 1678 schreef hij zich weer in in Leiden. Tussen mei en augustus begon hij aan het schrijven van De prostibulis veterum (over de prostitutie in de Oudheid), wat een boekwerk in drie delen moest gaan worden. Het boek moest gaan getuigen van zijn enorme kennis van de klassieken, maar ook van de kerkvaders, de humanisten en de Bijbel. Alleen al het eerste deel bevatte zo’n 600 verwijzingen naar de Bijbel. In het tweede deel onderbouwde hij zijn stelling, dat niet alleen de dieren, maar ook de mens gedreven werd door seksuele lust. Eind 1678 liet Beverland zich door enkele vrienden overhalen dit hoofdstuk alvast in boekvorm uit te geven.

Dat deel werd, met als auteur H.B. (Hadrianus Beverland) De peccato originali [κατ’ ἐξοχην] sic nuncupato, dissertatio. Psalmographus Ps. LVIII. commate IV (verder: de Peccato). Niet alleen de inhoud was voor hem van belang, ook de vorm. Hij koos voor een uiterst ingewikkeld Latijns idioom en verwerkte allerlei rariora verba in zijn tekst: woorden die maar een enkele keer in de klassieke teksten konden worden aangetroffen. Hij probeerde dus vooral ook indruk te maken op zijn vrienden en andere filologen en classici. Met die rariora verba liet je zien hoe ongelooflijk belezen je was en dat je een goed filoloog was: de betekenis kon je alleen maar opmaken uit de context. Maar toen hij zijn eerste versie had gepubliceerd, was de ontvangst niet zoals hij vast en zeker had verwacht. Collega-classici, ook door hem bewonderde, vonden de door Beverland gekozen schrijfstijl maar niks: veel te ingewikkeld, soms erg vreemde volzinnen! Die kritiek ging dus niet over de inhoud. Beverland liet weten, dat deze uitgave verbrand moest worden: het was maar een probeersel. Hij zou met iets beters komen. Er kwam ook een tweede versie, in september 1679, gepubliceerd onder zijn volledige naam: Hadriani Beverlandi J.U. Licentiati. Maar tussen beide publicaties brak de tering uit. Beverland werd gearresteerd, opgesloten en uiteindelijk uit Holland verbannen. De gereformeerde kerk, zijn dominees en theologen en het politiek bestuur waren in woede uitgebarsten, niet over de vorm maar over de inhoud.

De eerste versie moet al direct in handen zijn gekomen van een of meer dominees. Vanaf de kansel eisten ze de brandstapel. De Synode van Gouda klaagde Adriaan aan bij de Staten van Holland. Het was de taak van de Raadspensionaris om een proces te beginnen. Op 12 september vergaderden de Staten over hem. Ze constateerden dat hij op vele plaatsen de Heilige Schrift op profane wijze had verdraaid en misbruikt. Daar bovenop kwam de constatering, dat hij de Christelijke jeugd ‘dertelheyt ende onkuysheydt’ inboezemde. Dat laatste was natuurlijk populistische onzin: zijn boekje was voor veel classici al nauwelijks leesbaar. Beverland werd er bovendien ten onrechte van beschuldigd een werk van Giovanni della Casa te hebben laten drukken. Dat was een forse beschuldiging. Della Casa had in zijn jeugd een erotisch gedicht geschreven (S’il bello idolo mio), met daarin enkele regels die homoseks leken aan te prijzen. Hij werd in 1544 tot bisschop van Benevento benoemd, en later tot pauselijk nuntius in Venetië. Daar was hij lid van de inquisitie en vervolger van lutheranen. Toen hij niet tot kardinaal werd benoemd, nam hij ontslag en ging Latijnse werken vertalen, vooral de geschriften van Cicero. Hij werd beroemd door zijn boek over etiquette. Dit boek, Il Galateo overo de’ costumi, werd het beroemdste boek over hoe je je moet gedragen in de geschiedenis. Het werk had grote invloed op onder andere Shakespeare en iedere moderne schrijver over hoe het hoort is er schatplichtig aan. Hij muntte het begrip ‘nationaal belang’ (ragion di Stato). Maar de Staten konden niks doen.

Beverland was student en had daardoor privileges: de universiteit moest hem berechten. Op 26 oktober werd Beverland gearresteerd en opgesloten in de speciale studentencel in het Leidse stadhuis. Zijn arrestatie ging niet onopgemerkt voorbij. Een tegenstander van hem dichtte:

Hier leid de Heer van Beverland
Gevangen door een hoger Hand
Omdat hey onse beste Moer
Gemaeckt heeft tot een voule Hoer.

Een fan van hem (‘J.V.B. Jctus’) schreef daarentegen:

“’T is schande, dat voor heen geen Gods- of Regts-geleerd
Oit regt beschreeven heeft den oorspronk en de reeden
Van d’Erf-Sond’, leerende seer bot en puur verkeert
Dat s’is door snoeppery van Adam in het Eeden
Veroirsaakt, met ’t geproef van appel, pruim en peer.”

Vanuit de cel schreef Beverland meer dan veertig brieven die bewaard zijn gebleven. Daardoor hebben we niet alleen de gereformeerde en juridische oordelen over hem, maar ook zijn reactie op sommige beschuldigingen. Die brieven zijn ook grotendeels in het Latijn, soms buitengewoon grappig en ironisch, en verzameld in een boekje, dat in de UB van Leiden wordt bewaard: Epistolae Tullianae Leydae conscriptae anno 1679, Deo Tardipedi sacratae sunto. H[adrianus] B[everlandus]. Toch zal het oordeel van de gereformeerde kerk en dat van de rechtbank de reputatie van Beverland voor honderden jaren vastleggen. En die reputatie kan je samenvatten met: hij was buitengewoon geleerd en belezen, maar ook een goddeloze viespeuk. Dat oordeel was al in 1706 in een korte biografie vastgelegd door de Utrechtse christelijke boekverkoper en dichter Francois Halma, en na hem in tientallen Duitse, Franse en Nederlandse boeken gereproduceerd.

De inhoud.

Adriaan Beverland was eigenlijk the right person on the right place in the right time. Hij erfde genoeg geld om jarenlang te studeren in een land, de Republiek, waar meerdere uitstekende universiteiten bestonden. Hij was, zo lijkt het, uitermate nieuwsgierig, kon goed leren en kon goed hele lappen tekst onthouden. Hij groeide op tussen dominees: zijn broer, zijn opa, zijn oom. Schooltijd en studietijd bracht hij door ten huize van een dominee en een theoloog. Hij moest dus heel wat Bijbelkennis hebben opgedaan. En wellicht had hij uit eigen observatie kunnen vaststellen, dat er een groot verschil was tussen wat dominees op de kansel riepen, en hun persoonlijk leven, met name wat betreft de seksuele moraal. De officiële boodschap van de gereformeerde kerk voor het kerkvolk was, dat seks alleen mocht binnen het huwelijk, en alleen gericht op de voortplanting. Dikke kans, dat ook dominees masturbeerden, naar de hoeren gingen of op andere mannen vielen. En natuurlijk hadden ze in hun studietijd ook scabreuze Latijnse en Griekse gedichten gelezen, bij voorbeeld die van Catullus, Martialis of Horatius [???].

Beverland leefde in het land, waar de radicale verlichting haar oorsprong vond, vooral te danken aan Baruch de Spinoza, maar ook aan andere denkers, zoals de broers Koerbagh en de diplomaat Coenraad van Beuningen. De Republiek was ook het land waar op grote schaal boeken werden gedrukt en uitgegeven over van alles en nog wat, ook boeken die elders verboden werden: ‘the bookshop of the world’. Die boeken werden door hun oplage voor steeds grotere groepen betaalbaar. Een schooldirecteur verdiende vaak genoeg om een stevige bibliotheek aan te leggen. Het aanleggen van grote verzamelingen van kunst, exotische dieren (in menagerieën), natuurhistorische voorwerpen (in rariteitenkabinetten) of boeken was lang voorbehouden aan de allerrijksten, zoals monarchen, maar in de Republiek en in Engeland wisten lieden als Isaäc Vossius, Nicolaas Heinsius en Hans Sloane enorme verzamelingen van boeken en manuscripten aan te leggen. Vossius en Heinsius en Hugo de Groot traden als bibliothecaris in dienst van koningin Christina van Zweden, die ook schilderijen, beelden, munten, wetenschappelijke instrumenten en contacten met radicale wetenschappers en kunstenaars ‘verzamelde’. Met velen correspondeerde ze, anderen kwamen bij haar op bezoek. Pascal, Constantijn Huygens en Joost van den Vondel onderhielden contact met haar. Met Descartes discussieerde ze over de liefde. Hij schreef ook een toneelstuk voor haar. Ze wilde om vijf uur ‘s ochtends les van hem hebben, ook in de winter. Descartes liep een longontsteking op, en overleed in 1650 in Stockholm. Vossius verkocht al zijn boeken aan haar, en was haar leraar Grieks. Hij zal haar ook Nederlands geleerd hebben: dat was een van de vele talen die ze beheerste.

De boeken leidden tot nieuwe kennis, nieuwe ideeën. Christina stelde bij voorbeeld vast, dat Mohammed en Mozes veel overeenkomsten hadden, en besprak dat onder andere met de Nederlandse diplomaat Van Beuningen. In 1654 ‘nam ze ontslag’ als koningin. Via Deventer en Utrecht belandde ze in Antwerpen. Ze maakte daar plannen om joods-christelijke gemeenschap te stichten, maar bekeerde zich even later in Brussel tot het katholicisme. Ze vertrok naar Rome, waar de bekeerlinge groots werd onthaald. Vossius kon nog net een groot deel van zijn bibliotheek terugkopen. Hij belandde als kanunnik aan het hof van koning Charles II in Windsor Castle. Engeland ontwikkelde zich als een tweede centrum van geleerdheid en radicale ideeën. Beverlands stiefvader Bernard de Gomme en zijn moeder woonden in Londen: De Gomme was eerder in dienst geweest van koning Charles I, en was door diens zoon na de afloop van de burgeroorlog weer terug naar Engeland gehaald. Hij werd er de belangrijkste militaire bouwmeester en ingenieur en cartograaf, gevestigd in de Tower van Londen. Hij moet de koning goed gekend hebben: hij was waarschijnlijk een van de weinige gasten bij diens huwelijk met Catherina de Braganza in Portsmouth in 1662. De Gomme zat dus in een machtig en geleerd netwerk. Van jongs af aan was hij bevriend met de in Wassenaar en Leiden opgegroeide neef van Charles I (en achterkleinzoon van Willem van Oranje), prins Rupert van de Rijn, volgens de Royal Society van beroep ‘virtuoso, soldier’: hij was onder andere de legerleider geweest van Charles I. Radicale denkers konden machtige contacten goed gebruiken, zeker als ze kerkelijke dogma’s of de Bijbel ter discussie stelden. Thomas Hobbes, bij voorbeeld, stelde de historiciteit van de Bijbel ter discussie, maar dat bracht hem, zonder machtige beschermers, in grote problemen, waardoor hij geen radicale ideeën meer op papier durfde te zetten.

Vossius had het met Charles II stukken beter getroffen. De koning was geen liefhebber van radicale denkers, zoals Christina van Zweden, maar Vossius liet hij niet vallen. Vossius was niet alleen boekenverzamelaar, maar ook wetenschapper. Hij werd al in 1664 benoemd tot fellow van de Royal Society, een jaar eerder dan prins Rupert. Vossius schreef een verhandeling over de lengtegraden, schreef als eerste over wereldomspannende golfstromen en schreef een verhandeling over China, met name Nanking en Peking. Ook hij stelde de historiciteit van de Bijbel ter discussie: China, bij voorbeeld, kende geen Zondvloed en de Chinese geschiedenis, stelde hij vast, ging verder terug dan die van de joden. Hij was een fan van Confucius. Al die kennis had hij opgedaan in zijn eigen bibliotheek. Charles II vond hem maar een rare snuiter: hij name alles uit boeken voor waar aan, behalve dan de Bijbel. Het kan niet anders, of stiefvader De Gomme kende Vossius. Beverland zal ook dankzij De Gomme in Oxford zijn beland: hij had toen nog niet zijn erfenis gekregen. Ik denk dus, dat hij in dat jaar in Engeland niet alleen de Bodleian bibliotheek ondersteboven heeft gekeerd op zoek naar nog niet gepubliceerde teksten, maar ook de boekenverzameling Vossius, volgens Beverland ‘de Apollo van Windsor’. Misschien introduceerde Vossius Beverland bij de inmiddels in Vianen wonende Heinsius (door Beverland ‘de Oedipoes van Vianen’ genoemd), die ook een enorme verzameling aan boeken en handschriften bezat. (zie brief aan De Goyer, november 1779).

Beverland had dus de kennis, het geld, de toegang tot de belangrijkste bronnen en een stevig netwerk van andere radicale geleerden en, via zijn stiefvader, hooggeplaatste heren. Toch kwam hij door zijn boek over de Erfzonde in grote problemen: hij was nog maar student, hij was geen theoloog, maar jurist (zie brief aan Vossius, nov. of dec. 1779).

In 1620 had de Bodleian Library 20.000 boeken. Ten tijde van Beverlands bezoek zal het om circa 30.000 exemplaren zijn gegaan (mede dankzij een schenking van 8000 boeken). Vossius verkocht zijn verzameling van 4000 boeken en 729 handschriften voor 33.000 gulden (omgerekend naar nu bijna 450.000 euro) aan de Universiteit van Leiden. De handschriften vormen daar nog steeds de Codices Vossiani. De boekenverzameling van Heinsius was de grootste particuliere verzameling van klassieke literaire werken. Na zijn dood werd zijn boekenbezit geveild voor 23.833 gulden.

Beverland werd door tijdgenoten gezien als de meest belezen geleerde van zijn tijd. Hij las in die bibliotheken niet alleen de bekende klassieke werken, maar ook zeer zeldzame en obscure teksten. En vast en zeker net als veel andere studenten zocht hij ook passages over seks op. Heel wat Latijnse en Griekse dichters schreven onverbloemd over seksuele praktijken die in de christelijke wereld taboe waren. Beverland las de passages niet alleen, hij verzamelde zoveel mogelijk citaten en hij leerde allerlei scabreuze teksten uit zijn hoofd om ze in studentikoze drankgelegenheden te reciteren, als we althans een hem niet welgezinde christelijke dichter en boekhandelaar uit Utrecht mogen geloven. Al met al was dit geen gedrag, waarmee je normaal gesproken de geschiedenisboeken zou halen. Maar Beverland ging een stevige stap verder. Zijn enorme kennis van de klassieken, de mythologie én de Bijbel vertaalde hij in een wetenschappelijk boek, dat hem in grote moeilijkheden zou brengen.

De historiciteit van de Bijbel was een thema geworden, in Engeland maar vooral in de Republiek. De radicale filosofie van Baruch de Spinoza kende hier veel volgelingen. Isaac Vossius was een van de radicaalste. Hij was ook zeer belezen, en verdiepte zich in andere godsdiensten. Hij veronderstelde, dat de geschiedenis van China verder terugging dan die van de joden. De Zondvloed moest wel een vloed van beperkte omvang zijn geweest. Hij was een fan van Confucius. Charles II vond hem maar een rare snuiter: hij nam alles uit boeken voor waar aan, maar niet de Bijbel. De Engelse filosoof Thomas Hobbes waagde het ook de Bijbel ter discussie te stellen. Anders dan Vossius had hij niet de bescherming van de koning, dus hij bond weer in. Adriaan Beverland ging nog een stap verder. Niet alleen zag hij de Bijbel als een boek van mythen en sagen, met de nodige historische tekortkomingen. Hij vond er ook de nodige bewijzen voor zijn stelling: de mens wordt beheerst door de seksuele lust. Die stelling onderbouwde hij met zijn enorme kennis van de klassieken, de bijbel en teksten van kerkvaders.

Hij begon met de Erfzonde. Die Erfzonde was een gevolg van de zondeval, toen Adam en Eva ondanks het nadrukkelijke verbod toch, op aandringen van de slang Satan, van de Boom van kennis van goed en kwaad aten. Voor Beverland ging dit verhaal over seksuele lust. Hij zag overeenkomsten met het verhaal over Priapos. Die godheid, vereerd door Grieken en Romeinen, was een vruchtbaarheidsgod en de beschermer van onder andere fruit. Hij werd traditioneel afgebeeld met een enorme erectie, omringd door vruchten.

Beverland schreef zich in 1678 weer in aan de universiteit van Leiden en begon aan het schrijven van zijn geschiedenis van de seksuele lust. En nadat de wetenschapper Beverland zijn hoofd eindelijk weer buiten de stoffige bibliotheken stak en hij de laatste ingewikkelde Latijnse zin had geformuleerd, botste hij hard op de realiteit. De gereformeerde kerk, haar theologen en dominees waren woest. Ook sommige moderne wetenschappers verwarren zijn wetenschappelijke werk met zijn persoon, en verwijten hem hypocrisie. Hoewel hij in zijn studie beschreef dat ook vrouwen, juist vrouwen, gedreven werden door hun lusten, wordt zijn inzicht, dat contemporaine vrouwen die lusten niet konden botvieren, voor de voeten geworpen. Alsof de gemiddelde 17e-eeuwse vrouw ook buiten een degelijk, braaf en vrijheidsbeperkend huwelijk prima losbandig had kunnen leven en economisch had kunnen overleven. De pil, de bijstandswet en andere deels nog niet gerealiseerde voorwaarden voor zo’n geëmancipeerd bestaan zouden nog tweehonderd jaar op zich laten wachten. Beverland was een radicale wetenschapper, geen radicale actievoerder.

De duivel had Eva overgehaald tot de geslachtsdaad. De boom stond voor de stijve penis van Adam. Ook andere begrippen uit dit Bijbelverhaal moest je als symbolen lezen. Bovendien leek Adam op de Griekse god Priapos, standaard afgebeeld met een vaak enorm grote fallus, waaromheen vruchten zijn gedrapeerd. De Zondeval, de Erfzonde, de Peccatum Originale, was dus de eerste seks van Adam en Eva.

Hij erfde later ook van zijn stiefvader: in 1686 ontving hij 2000 pond. Voor 725 pond kocht hij toen lijfrenten bij de markies van Halifax en bij de nationale schatkist. Dat belegde bedrag leverde hem tot 1709 1448 pond aan rente op. Hij ontving ook nog legaten van de graaf van Carbery en van zijn broer, twee keer honderd pond. Al dat geld, in totaal 3823 pond, jaagde hij er doorheen. Hij moest uiteindelijk van een uitkering van zijn lijfrenten leven, een jaarlijks bedrag van 78 pond.  Wat een pond van toen nu waard is, is niet zo eenduidig te zeggen. De inkomenswaarde van 1000 pond in 1700 is 2.780.000,- pond nu.

Onder radicale filosofen, Spinoza voorop, was de historiciteit van de Bijbel een thema geworden. Beverland was als groot kenner van de klassieke letteren ongetwijfeld gestuit op klassieke dichters die onverbloemd over allerlei vormen van seksualiteit schreven. In de Griekse en Romeinse mythologie leefden goden en godinnen een heftig seksleven, gedreven door lust. Daarnaast waren er allerlei spannende vruchtbaarheidsrituelen. Hoe kan het dan, dat die gereformeerde dominees vanaf de kansel beweerden, dat seks uitsluitend gericht was op de voortplanting binnen het huwelijk? Hij zal wellicht uit eigen praktijk en uit zijn omgeving hebben begrepen, dat dat ook in zijn tijd flauwekul was. En als je dan vanuit die gedachten de Bijbel herleest, stuit je op verhalen, die ook anders gelezen konden worden: ook de mens in de Bijbel werd gedreven door seksuele lust. Die Erfzonde, om te beginnen, was niet bedoeld om de gereformeerde mens dagelijks te laten lijden, maar ging natuurlijk over seks: Eva verleidde Adam tot een neukpartij. De boom van goed en kwaad was zijn stijve penis. Adam leek op Priapus, meestal afgebeeld met een enorme erectie, met allerlei vruchten om zijn lid gedrapeerd. Op Priapusfeesten liepen vrouwen in het oude Griekenland met beelden van de godheid en met houten dildo’s door de straten, net als bij Osirisfeesten in het oude Egypte.

Priapus (Rome, 170 – 240 A.D.). Museum of Fine Arts, Boston. Met zijn penis ondersteunt hij een schoot vol fruit. Dergelijke beelden werden door de Romeinen in tuinen gezet in de hoop op een overvloedige oogst.

Hij nam ze op in zijn brievenbundel H[adrianus] B[everlandus], ‘Epistolae Tullianae Leydae conscriptae anno 1679Deo Tardipedi sacratae sunto. 

Beverland vond zichzelf ook wetenschapper. Het motto van een van zijn werken was:

Nuda recede Venus: non est tuus iste libellus

Tu mihi, tu, Pallas caesariana, Veni.

Heel erg vrij vertaald: dit boek gaat niet over seks (ga weg, naakte Venus), maar over wetenschap (kom, Pallas Athene, (de godin van de filosofie)).

Voorblad van De Stolate Virginitatis met bovengenoemd motto.. Leiden: Joannis Lindanus, 1680.

Een pornograaf was in die tijd, op een enkeling na, een anonieme broodschrijver. Hij schreef om te choqueren en/of om de lezer op te winden. Bij Beverland niets van dit alles. Hij zette zijn naam groots op het titelblad (van de tweede versie van zijn studie). Hij schreef in een ingewikkeld en bewust gekunsteld Latijn, niet bepaald handig voor een grote omzet. Dat Latijn speelde zeker niet in op de lustgevoelens van de lezers.

Op het titelblad van De peccato originali [κατ’ ἐξοχην] sic nuncupato, dissertatio. Psalmographus Ps. LVIII. commate IV (verder: de Peccato) vermeldt hij ook, dat hij een gepromoveerd jurist is, een geleerde dus. Hij deed, vind ik, onderzoek volgens de beste wetenschappelijke inzichten van die tijd. De moderne wetenschappelijke methode bestond natuurlijk nog niet. Het begrip ‘wetenschap’  was zelfs nog onbekend. Toch herken je al de nodige wetenschappelijke stappen. Beverland had een stelling: de erfzonde is eigenlijk seksuele lust, het verhaal van Adam en Eva moet je als metafoor zien. Vervolgens gaat hij die stelling onderbouwen door citaten en referenties uit de Bijbel, de klassieken, de teksten van kerkvaders. Hij deed dus bronnenonderzoek, verzamelde data. In de Peccato wordt 600 keer naar de Bijbel verwezen! Volgens sommigen was hij de meest belezen persoon van zijn tijd. Hij had dus ongekuiste klassieke teksten gelezen, en teksten van obscure klassieke auteurs. Hij had vastgesteld, dat er vaak ongeremd werd geschreven over seksuele activiteiten, die niet gericht waren op de voortplanting.

In tientallen zo niet honderden encyclopedie-achtige boeken die de eeuwen na zijn dood verschenen, komt Beverland voor. Meestal wordt er gevarieerd op het thema genie, die zijn gaven misbruikte voor het schrijven van obscene boeken: “C’étoit un homme dún très beau génie; mais il en fit un fort mauvais usage, en composant des Livres obscènes”, (Jacques George de Chaufepié, Nouveau dictionaire et critique, pour servir de supplement ou de continuation au dictionaire historique et critique de mr. Pierre Bayle. Tome premier A-Bl. Amsterdam, La Haye, 1750. P. 282.) Bron van de meeste boeken lijkt een soort encyclopedie van de Utrechtse boekhandelaar en christelijk dichter François Halma uit 1724 te zijn. De Chaufepié was ook geen neutraal biograaf, maar een in Leeuwarden geboren Franse calvinistische dominee en ‘Christian apologist’.

Volgens tijdgenoot François Halma las Beverland vooral ontuchtige boeken. Hij kende dankzij zijn sterke geheugen hele bladzijden uit zijn hoofd, inclusief al het ‘onkuise’ uit OvidiusMartialisCatullusTibullus en Propertius. In gezelschappen reciteerde hij deze dan. Boekhandelaar en christelijk dichter Halma was overigens bepaald geen fan van Beverland.

François Halma (1653-1722). Gravure van Frederik Ottens naar een schilderij van Arnold Boonen met een lofdicht van Matthaeus Brouërius van Nidek. Tussen 1722 en 1724.

“Het uiterlyk gelaet van Halma, vol van ijver / Voor Godt en zedenplicht, vertoont ons dit papier […]”

Wat was Beverlands werkwijze? Uit alle mogelijke geschreven ten gedrukte teksten haalde hij citaten die zijn stelling onderbouwden. Hij bracht een heel jaar door in de Bodleian Library in Oxford, een van de oudste bibliotheken ter wereld, en hij kende iedere Nederlandse en Engelse geleerde met een forse boekenverzameling. Vooral uit klassieke werken, maar ook uit de Bijbel en werken van kerkvaders zocht hij alles wat met seksualiteit te maken had. Leerde hij die citaten uit zijn hoofd, zoals Halma beweerde, of maakte hij aantekeningen? Hoe dan ook: het is bijna cultuurwetenschappelijk onderzoek. Maar hij wilde ook bewijzen hoe goed hij de klassieken kende. En de Bijbel. Zijn grootvader was dominee, zijn broer was dominee, zijn oom was dominee, zijn school- en studiejaren woonde hij in bij een dominee en een theoloog. Ook hier wist hij waar hij het over had. Hem zal opgevallen zijn, dat seks in de Griekse en Romeinse mythologie een heel grote rol speelde. Dat in andere godsdiensten dan het christendom (zo leek het) vruchtbaarheidsrituelen een grote rol speelden. Maar ook in de Bijbel kon je, als je goed las en interpreteerde, de nodige referenties naar seks terugvinden.

Dat alleen al was voldoende voor een forse botsing met de gereformeerde kerk en de theologen. Hij vergeleek de Bijbel met andere godsdiensten. Hij interpreteerde de Bijbel door verhalen erin als metaforen te zien: hij nam de Bijbel niet letterlijk, zoals was geboden. Hij deed dat bovendien zonder theoloog te zijn. En hij beweerde dat seksuele lust de drijvende kracht van de mens was, terwijl de christelijke kerk, de katholieke en de gereformeerde die voortbouwden op Plato, seks alleen maar konden accepteren, als het zonder lustgevoelens op de voortplanting was gericht.

In de Oudheid bedreven goden en mensen ook seks die niet op voortplanting was gericht, voor de pret dus. Beverland keek vast en zeker goed om zich heen, en wist dus, dat dat in zijn tijd nog steeds het geval was. Bovendien zag hij, dat je dat ook in de Bijbel terug kon vinden. Die zogenaamde Erfzonde, begaan door Eva toen ze de appel uit de boom van goed en kwaad plukte en aan Adam aanbood, dat ging nadrukkelijk over seks. Dat was al eerder door anderen beweerd, terwijl Spinoza, Thomas Hobbes en Isaac Vossius de autoriteit van de Bijbel ter discussie hadden gesteld. Dat denken zou leiden tot atheïsme, beweerden de wereldlijke en geestelijke machtshebbers. Spinoza werd uit de joodse gemeenschap verstoten, Hobbes werd gecanceld en hield zich voortaan op de vlakte, Vossius was in Windsor kanunnik, woonde op Windsor Castle en was bevriend met koning Charles II, en die kwam er dus mee weg.

De boom in de Hof van Eden was natuurlijk de (stijve) penis van Adam. Beverland zal vast en zeker gedacht hebben aan de Griekse god Priapus, standaard afgebeeld met een enorme stijve pik. Priapus was een vruchtbaarheidsgod, en hij zorgde dus ook voor een overvloedige oogst van fruit. Het eten van de appel was het hebben van seks, op initiatief van de vrouw dus. Dat was de ‘peccato originali’, de oorspronkelijke erfzonde.

In de klassieke teksten en de mythologie vond Beverland voorbeelden van seks die niet op voortplanting waren gericht. Griekse en Romeinse schrijvers schreven dit zonder aarzeling gewoon op. Hij maakte een fraaie lijst van dergelijke vormen, extra interessant voor hem, omdat sommige woorden maar een enkele keer gevonden werden in de teksten. Hier kon de filoloog Beverland aan de slag. Hij moest ze zien te vinden, en dat was vaak bij zeer obscure schrijvers, en hij moest ze zien te vertalen. Door dat te doen kon hij indruk maken bij zijn vakgenoten. Hij wilde graag die uiterst zeldzame woorden, rariora verba, in zijn tekst. In de Peccato vinden we op bladzijdes 54 en 55 dat lijstje. Dankzij internet konden we van de meeste woorden een soort van vertaling vinden.

Het lijstje (De Peccato, p. 54 en 55).

Het lijstje begint met frictires. Dat zijn masturberende vrouwen (fricare = wrijven). Fellatores en fellatrices zijn mannen en vrouwen die zich toelegden op fellatio, pijpen dus. Cunnilingui: mensen die aan cunnilingus doen, beffers. Pathici ac pathicae: mannen en vrouwen, die zich anaal laten penetreren (pathikos = passief). Hystriculi sive pusiones: dit verwijst naar de ‘oversekste’ godin Baubo. Dat was een oude dame, die treurende godin Demeter (dochter Persephone was door Hades ontvoerd) opvrolijkte door haar vulva te laten zien. Ze was volgens sommigen een hermafrodiet, want volgens Arnobius had die kut korte harde haren (hystriculi) en een slappe penis zoals van een jonge jongen (pusio).

Baubo laat haar kut zien aan een demon: de manier om hem weg te jagen. Afbeelding, bedoeld voor een verhaal van Jean de la Fontaine: Le Diable de Papefiguière. Gravure naar Charles Dominique Joseph Eisen (1720–1778).

Masculaeque lesbiatrices zijn ‘mannelijke’ lesbiennes. Een Cinœdus is een danser die met zijn billen draait, een ‘twerker’! Het gaat dus om een (homoseksuele) ‘wipkont’. En dan zijn er nog seksuele praktijken, die we tegenwoordig echt niet meer ok vinden. We hebben het dan over pederasten en hun jonge schandknapen en meisjes die nog niet gemenstrueerd hebben. En over seks met dieren. In de marge staat één keer een Nederlands woord: stoepschijter. Slaat dat op Draucus? Men dacht lang, dat Marcus Valerius Martialis (alleen die auteur gebruikte dat woord één keer) met Draucus een homoseksueel bedoelde. Nu weten we, dat het om een gewichtheffer gaat. Stoepschijter is nog steeds een scheldwoord voor stadsbewoners. In de 17e eeuw werden er huursoldaten uit de stad mee bedoeld. Was het op basis van die betekenis ook een mannelijke stoephoer?

Beverland vond de vorm van zijn boek minstens zo belangrijk als de inhoud. Die vorm bestond uit de gekozen stijl: complexe zinnen, met daarin rariora verba. Je moest dus uit de context zien te halen wat dat woord betekende, filologenwerk pur sang. Dat ging wel eens fout, zoals we zagen bij Draucus.

Toen vrienden het manuscript van de Peccato lazen, drongen ze erop aan, dat hij die liet drukken. Deze eerste versie, anoniem nog, had hij, zei hij al snel, beter niet kunnen publiceren. Andere classici, ook door hem bewonderde, vonden zijn stijl niet deugen. Hij beloofde een verbeterde versie, en vroeg om die eerste editie te vernietigen. Die tweede versie kwam er, niet omdat hij dus de eerste kuiste vanwege de kritiek vanuit de kerk en de overheid zoals wel wordt beweerd, maar vanwege de kritiek van zijn collega’s op zijn stijl.

De Peccato was het eerste deel van een groot werk, dat Beverland had gepland: De Prostibulis Veterum (prostitutie in de oudheid). Dat boek zou overigens niet alleen over prostitutie gaan, maar over allerlei aspecten van de seksualiteit. Hij incasseerde in 1675 zijn erfenis, en in 1678 schreef hij zich voor de tweede keer in als student te Leiden. Aan het eind van dat jaar werd de eerste versie van de Peccato gepubliceerd, onder zijn initialen A.B. In september 1679 kwam de tweede, geheel herziene versie uit.

De theologen waren woedend. Beverland was geen theoloog, dus het was niet aan hem om de Bijbel te interpreteren. Die Bijbel moest bovendien letterlijk worden genomen. Ook waren ze woest over zijn interpretatie van de erfzonde. De implicatie was immers, dat ook zij, de dominees, zondig waren, omdat ook zij aan seks deden.

Met zijn studie (hij signaleerde ook nog fouten in de Bijbel) ondergroef Beverland dus de autoriteit van de Bijbel. Hij was niet de eerste, die daar zijn vraagtekens bij plaatste. Isaac Vossius ging hem voor. Die had beweerd, dat de volgorde van de Bijbelboeken niet deugde. Vossius liep geen gevaar. Hij was kanunnik in Windsor en bevriend met koning Charles II. De Engelse filosoof Thomas Hobbes zag anachronismen en beweerde in de Leviathan (1651) dat de vijf aan Mozes toegeschreven boeken niet door Mozes geschreven konden zijn. Hij werd prompt gecanceld en dusdanig bedreigd, dat hij zich voortaan op de vlakte hield. Beverland baseerde zich op Agrippa en Fludd met zijn stelling over de erfzonde, en beriep zich daarbij op Vossius, Hobbes en Spinoza. De dominees waren dus woedend. Vanaf de kansel werd de brandstapel geëist. Maar Beverland kwam desondanks met een tweede editie. Dus werd bij door de Synode van Gouda aangeklaagd bij de Staten van Holland. De Raadspensionaris kwam in dit soort gevallen met een proces. Maar Beverland was student, en had dus privileges. De Staten vergaderden op 12 september 1679 over hem en constateerden, dat hij op vele plaatsen de Heilige Schrift op profane wijze had verdraaid en misbruikt. Daar bovenop kwam de constatering, dat hij de Christelijke jeugd ‘dertelheyt ende onkuysheydt’ inboezemde. Hij werd er bovendien, geheel ten onrechte, van beschuldigd een werk van Giovanni della Casa te hebben laten drukken. Die had in zijn jeugd een erotisch gedicht geschreven, met daarin enkele regels die homoseks leken aan te prijzen. Della Casa werd later bisschop van Benevento, lid van de inquisitie en vervolger van lutheranen in Venetië.

Giovanni della Casa (1503-1556). Schilderij van Jacopo Pontormo.

Op 26 oktober werd Beverland gearresteerd en opgesloten in de speciale studentencel in het Leidse stadhuis. In afwachting op zijn proces gaat hij in brieven aan personen in zijn uitgebreide netwerk helemaal los op de theologen. Zij proberen hem erin te luizen, schrijft hij, zes dagen na zijn aanhouding, aan Heinsius, zodat ze hem van atheïsme zouden kunnen beschuldigen. Die theologen lijken daarbij op varkens, want als je van de een de oren wast, beginnen ze allemaal te knorren en te huilen.

Tegenstanders van hem maken zich vrolijk. Er is een puntdicht bewaard gebleven:

Hier leid de Heer van Beverland
Gevangen door een hoger Hand
Omdat hey onse beste Moer
Gemaeckt heeft tot een voule Hoer.

Maar hij had ook zijn fans.  Een anonymus (“J.V.B. JCtus”) publiceert een groot lofdicht.

“’T is schande, dat voor heen geen Gods- of Regts-geleerd
Oit regt beschreeven heeft den oorspronk en de reeden
Van d’Erf-Sond’, leerende seer bot en puur verkeert
Dat s’is door snoeppery van Adam in het Eeden
Veroirsaakt, met ’t geproef van appel, pruim en peer.”

Het kan zijn, dat Beverland zelf de anonymus was. Hij zat bepaald niet stil in de studentenkerker, en hield zich zeker niet gedeisd, waartoe hij door vrienden wel werd aangespoord. Dat blijkt wel uit de brieven die hij vanuit de studentenkerker schreef. Hij begreep heel goed, dat de theologen niet zozeer woedend waren vanwege de vermeend pornografische inhoud, maar omdat hij hen impliciet beschuldigde van seksuele zonden. Hij vond ze vooral hypocriet. Vanaf de kansel predikten ze, dat seks alleen binnen het huwelijk mocht en alleen gericht op de voortplanting. Maar juist zij neukten erop los. Zij zondigden omwille van de kinderbijslag. Dominees kregen in Holland van de Staten een kindertoeslag op hun traktement, als ze er meer dan vier hadden. Ook zij genoten van hun libidineuze prikkel, als ze bezig waren hun vrouwen voor de zoveelste keer zwanger te maken. Juist het predikantenambt stimuleert dus de zonde! Ze waren voor de Reformatie omdat ze, nu ze niet meer celibatair hoefden te leven, verlangden naar de huwelijksdaad en naar rijke juffers. Dat schreef hij aan zijn broer Johan, dominee in Waterlandkerkje, vanuit de studentenkerker, waar hij met drie andere gevangenen de tijd doodt met grappen en grollen.

Ook ging hij op zoek naar mannen die hem konden ondersteunen. We weten dat uit zijn brieven. In Londen betuigden stiefvader Bernhard de Gomme en kanunnik  Isaac Vossius nadrukkelijk hun steun en vroegen Prins Rupert, neef van de koning, militair commandeur, mede-oprichter van de Royal Society, gouverneur van de Hudson Bay Company (o.a.) hetzelfde te doen. Dat had wellicht succes: op 25 november werd plotseling vonnis gesproken.

Prins Rupert (1619-168 ). Gerrit Honthorst, ca. 1641-1642. National Portrait Gallery, London. Rupert nam als commandant in de Civil Wars altijd zijn witte poedel Boye mee naar het slagveld. De hond urineerde, als je ‘Pym’ tegen hem zei, de naam van een van de tegenstanders. Een van zijn vele minnaressen, de actrice Margaret Hughes, kreeg een dochter van hem, Ruperta.

Voor de Vierschaar herriep hij zijn “heterodoxe erroneuse stellingen”. Hij zal God om vergiffenis bidden. Vergelijkbare boeken als de Peccato zal hij niet meer schrijven. Hij moest 100 zilveren dukaten betalen, werd geroyeerd als student en voor het leven verbannen uit Holland en West-Friesland. Beverland schreef een document, waarin hij zich zegt neer te leggen bij het vonnis. En hij beloofd het manuscript van de Peccato aan de openbaar aanklager bij de Vierschaar, Johan van Vesanevelt. Op 4 december kwam hij vrij. Nog diezelfde avond schreef hij een brief aan zijn oude leraar Grieks, Jan La Fer. Hij hoorde graag welke roddels er over hem werden verspreid door ‘de burgers, boeren, ziekenverzorgers, puriteinen, schepenen, predikantjes, hoeren en ander gespuis’ (“cives, rustici, parabolani, puritani, tribuni plebis, sacrificuli, meretrices et altera canalja”) .

Hij vertrok naar Utrecht, waar de uitspraak van de rechtbank al bekend was. Op 20 maart 1680 werd het manuscript in Leiden ingeleverd. Een maand eerder had Van Vesanevelt in Beverlands studeerkamer een derde manuscript ontdekt. Wat daarmee is gebeurd, is niet bekend. In Utrecht had Beverland, volgens domineeszoon François Halma, zo had hij decennia later gehoord, in de studentenkroegen het hoogste woord, noteerde deze in een mede door hem samengestelde encyclopedie. Beverland zou daarbij geprobeerd hebben indruk te maken met verhalen over zijn verbrande manuscript en liet het bewaarde titelblad zien, met daarop een tekening van “een Venustempel of Bordeel van binnen vol ontuchtig gebaar, waar hij zelf op den voorgrond zat met eene hoer op zijn schoot”. Dat was niet het titelblad; Halma verwijst vast naar het schilderij van De Vois, dat aan het begin van deze pagina te zien is. Beverland was ook nog eens een ‘besmettelijke pest’ volgens Halma. Hoe dan ook: Beverland moest zijn biezen pakken en vertrok naar Engeland. Via Londen ging hij naar Isaac Vossius, die in Windsor Castle woonde. Beverland werd zijn persoonlijke secretaris, belast met het aankopen van boeken en regelen van drukopdrachten. In juli 1780 keerde hij wellicht nog eens terug naar Utrecht, waarschijnlijk om iets voor Vossius te regelen. Hij verbleef toen in de Voorstraat.

Beverlands vrienden en bekenden.

Beverland had een netwerk van vrienden en bekenden. Wie waren zij?

Edit

De perverse weduwe.

Catherina Boevey, AKA Katherina Bovey (1669-1726), grafmonument Westminster Abbey.

Op 23 november 1685 overlijdt Bernard de Gomme, een voorouder van mij, in Londen. Zijn tweede vrouw, Katherine Lucas, was een maand eerder overleden en in de kapel van de Tower begraven. De Gomme werd ook begraven in Tower Castle, zonder grafsteen of een ander herdenkingsteken. Zijn eerste vrouw Catharina van Deynse was in 1666 in Middelburg overleden.

Schoonzoon John Riches was de executeur van zijn testament. Hij was gehuwd geweest met De Gommes enige dochter Katherine, geboren in Lillo in ca. 1658 (dat moet enkele jaren eerder zijn). Met haar had hij een dochter gekregen, Katharina Riches, De Gommes kleindochter dus. Moeder Katherine overleed in 1672. Riches huwde vervolgens Ann Davall.

Voor Ann Davall had De Gomme op 21 mei 1669 bij de Engelse koning Charles II een ‘grant of denization’ geregeld. Dat was bedoeld voor rijke immigranten, waar veel maar niet alle burgerrechten aan verbonden waren)[1]. Zij was de dochter van Thomas (ook wel Abraham) Potts. Op 4 juni werd ze genaturaliseerd. Haar overleden echtgenoot was koopman Thomas Davall, met wie ze op 6 februari 1642 in Amsterdam in ondertrouw was gegaan[2]. Die was weer de zoon van Thomas Davall I, een bierbrouwer uit Great Yarmouth. Thomas Potts zal dominee Thomas Potts zijn, ook de vader van dominee Thomas Thomasz Potts. Thomas jr. huwde Annika de Ruyter, dochter van zeeheld Michiel Adriaensz de Ruyter en was dominee in Vlissingen. De zwager van Bernard de Gomme, Bernhard van Deinse, was in dezelfde tijd predikant in Vlissingen[3].

Thomas Davall jr. was voor 1628 geboren in Great Yarmouth (het elders vermelde jaartal 1644 kan natuurlijk niet kloppen). Anna Davall-Potts is omstreeks 1622 geboren. Ook met John Riches kreeg ze nog een of meer kinderen. Voor 1685 werd hun dochter Anna geboren. met wie ze nog enkele kinderen zou hebben gekregen, ondanks haar leeftijd. Zij erfde Anna Riches 300 pond, die ze zou ontvangen als ze 21 werd of, indien eerder, bij haar huwelijk.

Volgens sommige bronnen (onder andere Wikipedia) was ook Catherina Boevey een dochter van Ann Davall[4]. Maar uit De Gommes testament blijkt, dat Catherina diens kleindochter was. Catherina was kort voor het overlijden van haar vader in het huwelijk getreden met William Bo(e)vey. Zij erfde 1000 pond, ondergebracht in een trust.

Testament van Bernard de Gomme, gedateerd 4 november 1685.

Thomas Davall jr. en Anne Potts waren omstreeks 1650 van Amsterdam naar Londen (parochie St. Mary-at-Hill) verhuisd. Ze kregen dus minstens 11 kinderen, van wie er twee jong stierven. Zoon Jasper werd koopman in Duitsland. Zoon Thomas (Londen, 1644 Dovercourt, 1612) werd koopman in Londen en MP voor Harwich. Hij trouwde in Amsterdam met Rebecca Burr, dochter van een andere Engelse koopman in Amsterdam. Dochter Lydia trouwde met John van Hattem (of: Hatten), een Nederlandse koopman (na zijn overlijden huwde hun dochter Lydia met James Brydges, de hertog van Chandos en vroege opdrachtgever van componist Handel). Thomas Davall overleed in 1663 in Londen.

John Riches was ook koopman geweest in Amsterdam. Het kan haast niet anders of het is de op 25 december 1633 in de Oude Kerk in Amsterdam gedoopte zoon van David Riches en Catharina Butler, de dochter van Matthew Butteler uit Sandwich, Engeland. Haar broer is de in de Warmoesstraat wonende wijnhandelaar Jan Bouteleur, gehuwd met Agneta Ruts. Haar vader, de in Keulen geboren doopsgezinde koopman Nicolaes Ruts, werd in 1631 door Rembrandt geschilderd. De Gomme, de molenaarszoon uit Terneuzen, belandde beroepsmatig in de hoogste Engelse kringen. Maar ook privé wist hij, de social climber, een indrukwekkend netwerk op te bouwen. In het leger ging het vaak om adel: koningen, prinsen, hertogen, graven, dat soort volk. Privé bevond hij zich onder kooplieden en dergelijke. Gemeenschappelijk kenmerk: het ging om Nederlanders die in Londen waren beland, of om Engelsen die koopman in Amsterdam waren geweest. De Dutch Church in Austin Friars lijkt ook en bindende factor te zijn. Nakomelingen klommen vaak nog hoger op: door huwelijken belandden ze in adellijke kringen, of werden parlementslid. De Gommes kleindochter werd onwaarschijnlijk rijk.

Rembrandt van Rijn, Nicolaes Ruts (1631). Frick Collection.

Vast staat dat John Riches de vader is van Katherina Boevey. Zij erfde 1000 pond, ondergebracht in een trust, waarvan haar vader en James Butler jr. (1651 – 1695) de trustees werden. Riches was de voogd van Butler geweest. Zijn vader was clothworker en rijke koopman James Butler sr., lidmaat van de Nederlandse kerk in Londen. Zijn moeder was Prudence van Acker, de zus van Katherine Lucas. De Van Ackers kwamen uit het Vlaamse Baille, nu in Frankrijk gelegen. Elk jaar ontving Catherina Boevey de rente. Bij haar overlijden zat er nog 500 pond in de trust: 100 pond erfden de dominees van de Nederlandse kerk in Londen, 400 pond was bestemd voor de armen van die kerk[5].

Molenaarszoon De Gomme was dus een social climber, niet alleen in zijn beroepsleven, maar ook in zijn persoonlijk leven. Was het leger de hefboom voor zijn carrière, het lijkt erop dat de Nederlandse kerk in Londen en de kooplieden die banden met Londen en Amsterdam hadden de hefboom voor zijn persoonlijke leven waren. Kleindochter Catherina werd stinkend rijk.

Catherina Boevey was een grote schoonheid, zeer belezen en erg intelligent en had een goed oordeel, volgens tijdgenoten. Op haar vijftiende trouwde ze met de twee jaar oudere William Boevey, de zoon van jurist en filosoof James Boevey (in Nederlandse archieven ook Jacques / Jacob Boeve[7]). Die had in de Republiek een hoop gedoe over erfenissen. Hij zat zelfs twee jaar in Middelburg in de gevangenis, waar hij veel ‘sorrows and sufferings’ onderging. Hij had wel vaker pech. Hij verdronk bijna in de Donau, op de vlucht voor een of ander leger, hij verdronk bijna in een overstroming in Italië, hij verdronk bijna in een schipbreuk. Deze verhalen werden deels opgeschreven door Pepys in zijn dagboek. En hij was waarschijnlijk een dubbelagent tijdens de Engelse burgeroorlogen.

Herdenkingsplakkaat James Bo(e)vey en zijn derde vrouw in Lumley Chapel in Cheam (Sutton).

De Boeveys waren protestantse vluchtelingen, oorspronkelijk uit Kortrijk. Ze hadden ook een band met Middelburg. James’ vader Andreas was op zijn 7e in Engeland gekomen: zijn familie was gevlucht voor de hertog van Alva. James werkte als koopman, onder andere voor William Courten, de ontdekker van Barbados[6]. Hij studeerde Grieks en Latijn in de Republiek, werkte voor Charles II, toen hij in ballingschap in de Republiek was, werd vanwege een zakelijk geschil in Middelburg gevangengezet. Hij werd later jurist en schreef een groot aantal ‘self-help’ boeken, vooral over hoe je een echte man wordt. Met zijn broer kocht hij Flaxley Abbey, een groot landgoed op de plek van een voormalig klooster. Met zijn tweede vrouw, Isabelle de Visscher (waarschijnlijk geboren in Amsterdam gedoopt op 21-5-1623 als Isabeau de Visscher), kreeg hij zoon William[8].

Flaxley Abbey. Catherina Boevey liet een Hollandse tuin aanleggen.

William werd maar 25, maar wist toch het leven van zijn vrouw tot een hel te maken met zijn losbandigheid en zieke grappen. Hij stierf door te veel te eten, “his soul ‘borne down by the weight and bulk of his body'” (Knights, Mark (2017) The ‘highest roade to happiness’ : the ‘Active Philosophy’ of James Boevey (1622-1696). In: Braddick, Mike and Innes, Joanna, (eds.) Suffering and Happiness in England 1550-1850 : Narratives and Representations. The Past and Present Book Series . Oxford ; New York: Oxford University Press, pp. 173-189).

Catherina klaagde echter nooit. Het echtpaar kreeg geen kinderen. William had Flaxley Abbey geërfd. Catherina erfde het van hem, en als laatste der Boeveys erfde ze nog veel meer. Ze was op haar 23ste weduwe geworden, en had daarna tot haar dood een romantische relatie met haar nicht Mary Pope[9]. Als enige erfgenaam van de Boevey-familie was ze stinkend rijk. Ze deed heel veel aan liefdadigheid.  Ze stond zo goed als zeker model voor de perverse weduwe in de schrijfsels van Sir Richard Steele, onder andere oprichter van het nog steeds bestaande tijdschrift The Spectator. Ze was volgens hem ‘pervers’, omdat ze nooit op de avances van haar vele aanbidders, die vielen voor haar schoonheid, belezenheid, intelligentie én haar enorme rijkdom, inging: “this perverse woman is one of those unaccountable creatures that secretly rejoice in the admiration of men, but indulge themselves in no further consequences”. Het kwam niet in hem op, dat ze genoeg had aan Mary Pope. Flaxley Abbey liet ze na aan Thomas Crawley, die Boevey aan zijn naam toevoegde.

In Westminster Abbey en in Flaxley Church liet vriendin Mary Pope grafmonumenten voor haar (met de naam Katherina Bovey) plaatsen[10]. Er staat een heel verhaal over haar leven en filantropische deugden op. Op de sarcofaag staat: “This monument was erected with the utmost respect to her memory and justice to her character by her executrix Mrs MARY POPE who lived with her near 40 years in perfect friendship never once interrupted till her much lamented death.”

Sarcofaag van grafmonument voor Katherina Bovey, Westminster Abbey.


[1] Calendar of State Papers Domestic: Charles II, 1668-9. Originally published by Her Majesty’s Stationery Office, London, 1894. S.P. Dom., Car. II. 260, No. 112., S.P. Dom., Entry Book 30, f. 140.

[2] Stadsarchief Amsterdam, Wikipedia..

[3] Stadsarchief Amsterdam, Wikipedia, https://essexandsuffolksurnames.co.uk/history/the-cardinall-family/william-cardinall-of-alresford-1706-1749/the-davall-family-of-ramsey-enter-jane-austen-and-a-duke/; www.dominees.nl.

[4] https://en.wikipedia.org/wiki/Catherina_Boevey. Daar wordt o.a. verwezen naar een niet meer bestaande particuliere genealogie-site.

[5] Gordon Goodwin, Gomme, Bernard de. In:  Dictionary of National Biography, Vol. 22. 1885-1900, Volume 22, p. 103, 104. Jennett Humphries, Bovey, Catharina. In: Dictionary of National Biography, Vol. 6, p. 37-38.

[6] https://en.wikipedia.org/wiki/William_Courten

[7] Stadsarchief Amsterdam: o.a. Notariële archieven, archiefnummer 5075, inventarisnummer 972A, aktenummer 371565

[8] Stadsarchief Amsterdam; https://en.wikipedia.org/wiki/James_Boevey.

[9] Dat althans is de moderne interpretatie van de relatie.

[10] https://www.westminster-abbey.org/abbey-commemorations/commemorations/katherine-bovey