Het Institut op Feijenoord; de gruwelfabriek van Ter Hoeven.

Vervolg van dit bericht.

In 1812 kwam er in het Pesthuis een inrichting met fabriek voor het ‘opvoeden’ van kinderen uit arme gezinnen, tussen de 8 en 14 jaar. In een boek van het bureau monumenten van de gemeente Rotterdam uit 2008 wordt het eufemistisch ‘een werkschool’ genoemd. Kinderen konden vanaf 1812 bij particulieren aan het werk worden gesteld en in een armenfabriek als deze. Deze was gesticht door de koopman Gerrit Jan Ter Hoeven, die in Arnhem eerder een ‘leer- en spinschool’ had in het voormalige Sint Catharinagasthuis. In 1804 wist hij zich te laten benoemen tot secretaris en schout van Hillegersberg. Later, in de Franse tijd, was hij er maire. In 1803 voerde hij enkele processen voor het Hof van Holland. Het Rotterdams armenbestuur stuurde direct vijftig kinderen. Maar het Rotterdams Burgerweeshuis vertrouwde de man niet, omdat Ter Hoeven vooral zoveel mogelijk wilde verdienen aan de kinderen. Het Amsterdamse aalmoezeniersweeshuis liet zich wel overhalen door zijn regent Cornelis Vollenhoven. Op 13 juni 1815 stuurde het weeshuis de eerste 22 kinderen, 11 jongens, 11 meisjes. De jongste was 7 jaar, de oudste 12 1/2. De volgende dag kwamen ze aan in de fabriek, begeleid door onderwijzer Breuker, eerste leermeester aan de Jongenszijde van het Aalmoezeniersweeshuis. De goed geselecteerde kinderen waren allemaal in goede staat, schreef Ter Hoeven een dag later aan de regenten in Amsterdam, misschien op 2 à 3 kleine meisjes na. Spoedig, zo beloofde hij, zullen het “frisschen en gezonden werkgasten” zijn: kleermakers, schoenmakers, getraind voor de wolkam, het weefgetouw. En de meisjes voor de naaiwinkel of het huishouden. Over acht dagen zouden ze met hun werk beginnen, maar nu werden ze ogenblikkelijk speelgenoten.

Op 3 augustus stuurde het weeshuis de volgende ‘lading’, weer 22 kinderen. De jongste was weer 7, de oudste 11. Op 29 juli reageert Ter Hoeven op een bericht van de dag ervoor uit Amsterdam. Hij was van plan om naar Amsterdam te reizen, maar er komt weer een lading kinderen aan. Een van zijn zonen heeft hij naar Rotterdam gezonden om een schuit te huren om de 22 kinderen op te halen. Ze zullen met dezelfde blijheid en met opgeruimdheid aan hun nieuwe loopbaan beginnen. Ze vertrekken donderdag uit Amsterdam en zullen in Gouda worden opgehaald. Hij meldt ook nog, dat de kinderen van de ‘eerste bezending’ zich over het algemeen vrijwel schikken. Hij zal dat mondeling toelichten. Hij is met een rooms-katholieke geestelijke ‘in correspondentie’. Als vondelingen geen briefje bij zich hadden, dat ze gedoopt waren, werden ze gereformeerd gedoopt.

In een brief van 5 augustus meldt Ter Hoeven dat de kinderen opgehaald zijn door zijn zonen. Ze zijn in Tergou[w] ‘overgenomen’. De volgende dag, 6 augustus, zal een zoon naar Middelburg vertrekken waar hij 50 burgerwezen zal ‘overnemen’. Een gecommitteerde had het instituut bezocht en, met goedkeuring van de burgemeesters, besloten de kinderen per direct naar Feijenoord te sturen. In 1812 was in Middelburg het Armenweeshuis op het Noordpoortplein opgeheven. De aanwezige kinderen werden zoveel mogelijk geplaatst bij particulieren, maar het in 1815 aangetreden College van Regenten over de Godshuizen koos ervoor om de wezen naar Feijenoord te sturen. Toen dat instituut in 1819 werd opgeheven, meldt de site van het Zeeuws Archief, werden de kinderen weer bij particulieren geplaatst. Dat jaartal klopt niet.

Armweesschool of Armweeshuis aan de Korte Noordstraat te Middelburg. De ruiters dragen 17e eeuwse kledij, maar de tekening is uit de 19e eeuw. Cornelis Springer (1817-1891). Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel II, nr 671.

De fabrikant had beloofd, dat hij voor 50 gulden per kind ze goed zou voeden en kleden en hen een vak zou leren. Overigens moest voor kleding apart worden betaald. In een ronkende tekst uit 1817 wordt beweerd, dat de kinderen moesten werken, deels ’ter hunner onderrigting’. Maar ze zouden ook les krijgen in lezen, schrijven rekenen, natuurkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, zedekunde en zingen. Ze werden bovendien zedelijk en godsdienstig opgevoed. Naast werken hadden de kinderen tijd voor eten, ‘uitspanning’ en rust, Hun gezondheid en lichamelijke krachten werden bevorderd. In 1814 gaf Koning Willem I 6000 gulden subsidie aan “de Fabrijk ten Nutte der Armen Jeugd”. De koning wilde ook, dat de fabriek bij alle armengestichten in ons land aanbevolen werd. De vrome Willem de Clercq bezocht de fabriek en werd tot tranen toe bewogen, toen de spinnende kinderen hem „uit zich zelven begroetten met een lied over de goddelijke almacht” op de wijze van „God save the king”.

Maar al in 1814 werd de fabriek onderzocht en werden kinderen voortdurend mishandeld. Bij het kleinste vergrijp kregen ze stokslagen of vuistslagen in het gezicht. Anderen werden in een donker hok aan de muur geketend en op water en brood gezet. Het werk was veel te zwaar, het eten was beroerd, van hygiëne was geen sprake. Ter Hoeven en zijn zeven zonen voerden een schrikbewind. Een onderzoekscommissie van de staat stelde kort daarna vast, dat er niets dan armoede en ellende heerste. Kleren waren volledig versleten, het ontbrak aan voorraden brandstof en voeding. Het kon de autoriteiten, en met name Koning Willem I weinig schelen. In 1816 stierven er vier kinderen uit Middelburg. Op 24 januari stierf de 14-jarige Jacomina Jacoba Oudshoorn. Op 17 september overleed Hendrica van St. Annaland, 11 jaar. De 13-jarige Anthonis Pouwelsen stierf op 7 november, de 11-jarige Neeltje Drost op 1 december. Het overlijden van de laatste drie werd ook door de stad Middelburg geregistreerd.

Ook de regenten van het Amsterdamse aalmoezeniersweeshuis bleven kinderen sturen. In 1816 waren het er al 217. In 1817 overleden drie Amsterdamse kinderen. Op 8 maart 1817 overleed de 11-jarige Willem Zoutman. De 12-jarige Jan Hageman stierf op 21 maart 1817. De 9-jarige Maria Leguin stierf op 26 juni. Dat was reden voor de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis om twee regenten naar Feijenoord te sturen, de Bruine en Jacobien [??]. Deze commissie bezocht de fabriek op zaterdag 14 juni na een vanwege de storm gevaarlijke overtocht. Die overtocht duurde langer dan verwacht, ze misten daardoor het ontbijt. Ze arriveerden volkomen onverwacht, wat voor veel ‘confusie’ zorgde. Direct viel hen op, dat sommige ramen aan de hengsels hingen. Gebroken ruiten waren gedicht met hooi of zakken. De indruk was die van ‘diep verval’. Na lang wachten kwam Ter Hoeven tevoorschijn. Hij maakte allerlei excuses en klaagde over de tegenwerking, waar hij mee te maken had, de dure tijden, over ‘particuliere wederwaardigheden’. Hij was bestolen en bedrogen door zijn suppoosten, Hij had een proponent laten preken, en zo ging hij maar door. Hij vroeg de bezoekers of ze de kinderen in de kleren die ze aanhadden, wilden zien, of dat ze zich eerst dienden te verkleden. De commissie koos voor het eerste en begaf zich vervolgens naar een lokaal, die de Spinzaal heette. Daar zaten kinderen te spinnen. Er ging een kroes rond met water, gemengd met paardenbloemenvocht voor hun gezondheid. Paardenbloementhee wordt nog steeds aangeraden als een natuurlijk middel tegen heel veel kwalen. ( Slechts één modern onderzoek vond een positief effect bij ratten. Een extract van enorme hoeveelheden paardenbloemen had een gunstig effect bij muizen en konijnen).

De situatie waarin de kinderen zich bevonden, was erbarmelijk. De tranen stonden de commissieleden in de ogen. Het leek wel of de kinderen hun hulp en ‘bijstand’ vroegen. Ze waren lusteloos aan het werk, en dat was voor Ter Hoeven weer een reden om stevig te klagen: vroeger sponnen de kinderen 560 el per week, nu ternauwernood 130! Een paar keer spraken de regenten met de kinderen, die ‘bitterlijk’ klaagden. Maar Ter Hoeven brak ze telkens weer af. Hij noemde de kinderen ‘weerbarstige deugnieten’. Wij wisten echter, dat de de meesten eretekens voor goed gedrag hadden gekregen. De leermeester stond er al die tijd zwijgend bij. De kinderen kregen geen les meer, want er was geen lokaal meer vrij, volgens de directeur. Het schoollokaal diende ook als gevangenis, dus werden straffen ook niet meer uitgevoerd. Het lokaal was nu een ‘schoenmakerswinkel’.

Ze bezochten vervolgens de slaapkamers. Die waren slecht en morsig. Ramen waarvan de ruiten waren gebroken, waren gedicht met lappen en lorren. Ze bezochten ook de zolders waarop de wol werd gekaard, de schoenmakerswinkel waar een Württembergse vreemdeling waarnemend chef was, de timmermanswinkel, de muziekkamer, waar een oude man de leraar was en de keuken, waar de waarnemend kok ook een Württembergse immigrant was. Het middageten bestond uit gort. De commissieleden waren enorm geschokt door de wanorde en het gebrek aan eerste levensbehoeften. De kinderen liepen voortdurend achter hen aan en vroegen om ‘verlost’ te worden. Ze vertelden, dat ze geen eten kregen en het heel erg ellendig hadden.

Ze stelden Ter Hoeven voor om 20 kinderen aan te wijzen, op wier gedrag hij niets had aan te merken, die ze in hun aparte kamer konden spreken. Ze spraken met tien jongens, tien meisjes. Ze mochten niet door elkaar praten en moesten de waarheid vertellen, De commissie had een lijstje met vragen over het onderwijs, de kleding, de bedden, het eten. Al negen maanden werd er geen onderwijs gegeven. De leraar werd niet betaald. Ze leerden wel spinnen, maar ze deden alleen het hoognodige, omdat ze er geen geld meer voor kregen. Ze hadden geen zin meer in spelen. In de speelpauze zaten ze maar wat bij elkaar. Sommigen kregen nog wel muziekles, maar dat schoot niet op vanwege hun lusteloosheid. Alleen nog maar op zondag werd er iets voorgelezen uit een boek van een of andere predikant. Sommige jongens hadden maar één pak, sommige meisjes maar één jurk. Op zijn best hadden ze twee hemden, en niet iedereen had twee paar schoenen. Hun hemd moesten ze twee weken dragen en nog langer als het andere gerepareerd moest worden. Soms hadden ze daarom vijf weken geen verschoning. In de winter werden daarom hun kleren in de oven geworpen om het ongedierte te verbranden. Waren hun schoenen kapot, dan moesten ze verder op sloffen of klompen. Soms was er weken lang geen leer om de schoenen te repareren. Het was soms zo koud dat sommige kinderen met zijn tweeën in de kribbe sliepen. Het beddengoed werd hooguit drie keer per jaar verschoond. Het eten was beroerd. Sinds november bestond het ontbijt uit in water gekookte gort in plaats van soep. Verder aten ze enkel aardappelen met een saus van azijn met water en een heel klein beetje boter. Op zondag en niet elke zondag kregen ze een stukje vlees, soms met wat ham die niet in orde was en uiteindelijk in de Maas werd gegooid. Soms was het stokvis of zoute vis. Ze hadden al vele maanden geen vlees gehad. Sinds kort kregen ze weer dunne soep als ontbijt met een dun sneetje roggebrood. Er was geen personeel meer op de Württembergse gastarbeiders na. Die moesten alle doen. Als ze klaagden, kregen ze stokslagen.

De bevindingen werden aan Ter Hoeven voorgelegd. Hem werd gevraagd wat hij hier tegenin te brengen had. Hij praatte er wat omheen, hoewel hij een en ander in principe beaamde. Wel was de 70-jarige zo perplex, dat de commissie medelijden met hem had. Hij beloofde een en ander op te lossen en daarover een verslag sturen. Wel vroeg hij de commissieleden om de kinderen in de zaal moed in te spreken en erop te wijzen dat de tijden slecht en duur waren, zodat Ter Hoeven zijn krediet bij de kinderen niet zou verliezen. Zij deden wat hij vroeg. De kinderen bleken nu goed gekleed, zongen met muziek en vertoonden een goochelspel. Ze zagen er overigens tamelijk gezond uit. Je kon je dus niet voorstellen, dat ze zo veel gebrek geleden hadden. De commissie keerde hierna weer terug.

Het gemeentebestuur van Amsterdam gaf Ter Hoeven twee maanden de tijd om verbeteringen aan te brengen. Dat gebeurde niet. In 1817 wilde het alle kinderen terughalen, maar Ter Hoeven weigerde dat. De Dordtse rechtbank moest hem daartoe dwingen. Op 21 september keerden de kinderen naar Amsterdam terug. Na sluiting van de fabriek vluchtte Ter Hoeven naar Amerika.

Journal du département des bouches de la Meuse = Dagblad van het departement der monden van de Maas, 30-1-1813. Het is een verslag van een bezoek de Prefect van de Monden van de Maas aan het Stadhuis in Rotterdam, gedateerd 19 januari 1813.

Ook de andere wezen keerden terug naar de instellingen en steden, waar ze vandaan kwamen. Was dat enkele jaren later gebeurd, dan waren alle kinderen afgevoerd naar Drenthe, naar de Koloniën van Weldadigheid. Die organisatie was in 1818 opgericht, maar ving dat jaar alleen nog maar een vijftigtal verpauperde gezinnen als proef op, Pas in 1823 werden weeskinderen uit het hele land afgevoerd naar Veenhuizen, wettelijk verplicht. De Rotterdamse kinderen keerden in 1818 weer terug naar het Armenhuis. De stad Middelburg haalde in januari haar 110 op Feijenoord ondergebrachte wezen per Rotterdams beurtschip weer naar huis.

Opregte Haarlemse Courant, 17-01-1818.

In 1814 gaf Koning Willem I Van de drie Rotterdamse notabelen die door Koning Willem I na een kennelijk gunstige inspectie aan “het Institut en Fabrijk op het Eiland Fyënoord” een subsidie van fl. 6000,- uit de post “bedachte en onbedachte zaken” van het departement van Binnenlandse Zaken. Hij benoemde een commissie van drie Rotterdamse notabelen, die moest controleren, of ‘het’ subsidie behoorlijk werd gebruikt. De commissie bestond uit de Commissaris van het District, Frederik Bernard s’Jacob en jonkheer A. van der Heim en Richard Brem. Het kost geen moeite om meer over deze mannen te weten te komen. Van hen zijn er oom portretten. Dat geldt ook voor Cornelis Vollenhoven, de regent van het Aalmoezeniersweeshuis die ervoor zorgde, dat de Amsterdamse wezen naar Feijenoord werden gestuurd. En voor de toegezongen Willem de Clercq, graanhandelaar, bestuurder van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, dichter en voorman van het Réveil, een internationale calvinistische oplevingsbeweging met nog steeds enige invloed, zoals de YMCA, diaconessen en Bijbelgenootschappen. De NHM speelde vooral in Nederlands Indië een grote, bedenkelijke rol. Herlees voor een deel van de uitwassen de Max Havelaar van Multatuli. Het was Johannes van den Bosch, die tussen 1828 en 1834 als bewindvoerder het cultuurstelsel invoerde en vooral de belangen van de NHM diende.

Dankzij de overlijdensaangiftes kennen we ook enkele personeelsleden van het Institut. Chirugijn is de 27-jarige Jan Willem van der Spruit (ook Willem, ook Spruijt, Spruyt). Later, als hij 40 is, woont hij in Buiksloot. Verder is hij onvindbaar. Willem Ohlman, 21 jaar, is de kleermaker. Niet terug te vinden in de archieven. En dan hebben we Johannes ter Hoeven, 29 jaar. Ook geen archiefsporen! Zelfde verhaal voor 27-jarige arbeider op het Institut Willem Mikhoudt of Kinkhorst,

In een brief, die Ter Hoeven op 15 juni 1815 aan de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis schrijft, wordt de onderwijzer genoemd, ene Breuker. Dat betreft Johannes Breuker, Hij was bovenmeester van de Jongenszijde van het Aalmoezeniersweeshuis, geboren in Amsterdam op 28 januari 1772. Op 25 januari 1820 overleed. Zijn tweede vrouw Johanna Sleur was suppoost in het Weeshuis. Ze kon dus doorgroeien naar de functie die zijn eerste vrouw ook had, huismoeder.

Wie waren de kinderen?

In de fabriek belandden 217 Amsterdamse kinderen. Drie van hen stierven er, zeventien konden tijdens hun verblijf terugkeren naar familie, twee kinderen liepen weg. Er keerden dus op 21 september 1817 195 kinderen naar Amsterdam terug. Het is ondoenlijk om ze allemaal nader te onderzoeken.

Arme mensen lieten zeer weinig sporen na in de archieven. Ze lieten wat aantekeningen na in de burgerlijke stand, en wat meer als ze met justitie in aanraking kwamen of in een instituut belandden. Dat geldt natuurlijk helemaal voor de allerarmsten, zoals de wezen, de verlaten kinderen en de vondelingen. Wat weten we over hen die in Ter Hoevens gruwelfabriek waren beland? Ik heb dat voor een aantal vondelingen en wezen uit Amsterdam uitgezocht. Dat is enigszins te doen, omdat het omvangrijke archief van het weeshuis is gedigitaliseerd. Je moet echter heel wat documenten doornemen, om die wezen te vinden: ze zijn (nog) niet simpel op naam geïndexeerd. Je moet te weten komen hoe oud ze waren toen ze in het Aalmoezeniersweeshuis belandden, of op welke datum ze te vondeling werden gelegd.

Gerrit Sarton.

Op 2 oktober 1816 schrijft Ter Hoeven aan het Aalmoezeniersweeshuis, dat Gerrit Sarton te dom is (hij was weliswaar ‘niet volkomen zielloos’, maar hij bezat ’te min vermogens’) en waarschijnlijk teruggestuurd gaat worden. In 1826 wordt de ongehuwde kuiper, die 20 jaar zou zijn, zes keer opgenomen in het Buiten Gasthuis. Hij woont ook zes keer op een ander adres in de Jordaan. Zijn vader is een koopman genaamd Maximiliaan, zijn moeder is, staat vermeld, onbekend. Op 24 november 1826 overlijdt hij in het Buiten Gasthuis. Op 7 juli 1797 wordt in Amsterdam ene Gerrit Sarton geboren. De vader is Maxmiliaan Sarton, de moeder heet Gesina Hoeven. Ze trouwden op 4 mei 1792. Maximiliaan Sarton kocht op 21 juni 1787 het kofschip Meijn Liebeleyn. In 1798 is hij volgens een andere notariële akte koopman. Is het dezelfde Gerrit (en dat denk ik wel), dan is hij dus in 1816 19 jaar oud. Als hij 10 jaar later in het Buiten Gasthuis belandt, is hij dus 29 jaar oud. Ik vermoed, dat hij geestelijk en lichamelijk invalide was. Vader Maximiliaan wordt op 18 maart 1808 begraven. Tien jaar later is zijn tweede vrouw ook overleden. Ze hebben één erfgenaam, de 12-jarige dochter Cornelia. Die is opgenomen in het diaconie-weeshuis van de Hervormde gemeente in Amsterdam. Er valt niks te erven, blijkt uit de boedelbeschrijving, opgesteld op 22 januari 1818. In 1857 is ze ongehuwd, als ze op 2 oktober wordt opgenomen op de krankzinnigenafdeling van het Buiten Gasthuis. Genoteerd wordt, dat haar beide ouders onbekend zijn. Ze woont dan in het bestedelingenhuis aan de Herengracht bij de Weesperstraat. Op 5 oktober overlijdt ze in het Buiten Gasthuis. Ze was er al eerder opgenomen, ook eens op de afdeling vrouwenziekten. In 1833 zijn in hetzelfde ziekenhuis haar ouders wel bekend.

Hendrik Mantel.

Hendrik David Mantel werd op 24 oktober 1805 als wees opgenomen. Hij was toen drie jaar. Uit de door Martien Mantel beheerde stamboom (https://www.genealogieonline.nl/stamboom-hendrik-david-mantel/I8521.php) over zijn ouders.

“Op 10 oktober 1800 hebben Johann David Mantel en Anthonia Anna Maria Bolten hun huwelijksintentie laten intekenen in het ondertrouwregister van de Nederlands Hervormde kerk in Amsterdam. Johann David, geboren te Helmarshausen in Essen, Duitsland was op dat moment 27 jaar. Zijn ouders waren overleden. Anthonia Anna Maria was 18 jaar. Haar ouders waren eveneens overleden. Omdat zij minderjarig was, werd zij vergezeld door haar voogd. Johann David en Anthonia Anna Maria kregen voor zover nu bekend 3 kinderen, 2 dochters en 1 zoon.
Bij de huwelijkse bijlagen van hun zoon Hendrik David zit in plaats van een extract uit het geboorte-/doopregister een verklaring van een weeshuis, dat Hendrik David op 24 oktober 1805 op 3-jarige leeftijd als vondeling was opgenomen. En dan te bedenken dat zijn jongste zus 8 dagen eerder in de Zuiderkerk is gedoopt.”

Bevolkingsregister 1851-1853. Hij was eerder tapper, schoenmaker. In 1858 woont hij met vier kinderen als weduwnaar op de Binnen Amstel 773 in Amsterdam. De jaren daarvoor woonde hij nog met vrouw en een vijfde kind in de Oude Nieuwstraat (22) 471. Hij handelt er in hout en turf. Zijn vrouw Hermina Gesina Gompelman overleed op 31 augustus 1858, De zevenjarige Geertrui was op 11 april dat jaar gestorven. In dat jaar en 1859 was hij werkloos , blijkt uit de opgave van zoon Hendrik David, als hij wordt opgenomen in het Binnen Gasthuis. Hij overleed op 16 augustus 1869.

Oude Nieuwstraat, 1925. SAA.

Lotje Klok.

Op 17 april 1809 wordt in het ’s-Gravelandseveer, een nog steeds bestaande straat in hartje Amsterdam aan de Amstel tussen de Groenburgwal en de Kloveniersburgwal het meisje Lot(h)je gevonden. Haar leeftijd wordt op 2 ½ jaar geschat, ze heeft geen bericht bij zich en zegt zelf, dat ze Lotje heet. Ze krijgt de achternaam ‘Klok’. Ze wordt op 14 mei 1809 met 10 andere kinderen uit het weeshuis in de Nieuwezijds Kapel gedoopt. Op 26 maart 1816 wordt ze naar Feijenoord gestuurd. Ze is dan 10 jaar. Op 21 september 1817 keert ze weer terug in Amsterdam. Later heeft ze in het bevolkingsregister van Amsterdam als geboortedatum 1 mei 1806.

Pieter Schenk, De Binnen-Amstel; tusschen de Blaauwe en Halve-Maansbrugh. Ca. 1710. SAA. Het ‘s-Gravelandseveer links van het midden met bomenrij.

Op 6 oktober 1830 trouwt ze in Amsterdam met Hendrik Kroese. Zij is dan 24 jaar en porster, hij is 23 jaar en sjouwer.Ze krijgen een dochter, Geertruida. Die is bij haar huwelijk op 15 juni 1853 in Amsterdam 22 jaar, en net als haar moeder werkster. Ze trouwt met de 22-jarige sjouwer Klaas de Graaf. Zijn gelijknamige vader is overigens sjouwerman. Geertruida werd op 21 maart 1831 geboren.

Het echtpaar krijgt ook nog een zoon, Hendrik. Die trouwt op 11 februari 1869 in Amsterdam met het dienstmeisje Cornelia Gijsberta Schmidt. Beiden zijn 27 jaar. Hendrik jr. is onderwijzer! Hij werd op 23 augustus 1841 geboren.

Als Hendrik gekeurd wordt voor de militaire dienst, is zijn vader al overleden. Hij wordt overigens vanwege lichaamsgebreken afgekeurd.

Goudsbloemstraat, ca. 1895.

In 1853 woonde Lotje met haar twee kinderen in de Goudsbloemstraat op nummer 70. Ze is weduwe, porster van beroep, maar wordt ook door de gemeente ondersteund. Ze werd gereformeerd gedoopt, maar nu is ze evangelisch-luthers. Later woont ze met alleen haar zoon (geregistreerd als Hendrik Kroeze)  in de Goudsbloemstraat 499.In 1878 woont Lotje alleen in de Goudsbloemstraat op nummer 128. Ze is dan nog steeds porster. Omstreeks 1877 woont Hendrik jr. met zijn vrouw en 5 kinderen op de Prinsengracht nr. 344.

Een porder.

Een overlijdensdatum voor Lotje kon niet gevonden worden.

Dirk Gijsbert Ophoop.

Dirk Gijsbert werd als pasgeboren baby gevonden op 24 juni 1798 op het Koningsplein bij de Herengracht. Hij ging op 24 september 1816 als 18 ½ jarige naar Feijenoord, al behoorlijk oud dus.

Op 13 november 1834 trouwt hij in Deventer met Anna Maria Severienus. Hij is dan wolspinner. Het is haar tweede huwelijk. eerder huwde ze Jan Serd, een wolspinner uit Twello. Op 25 september 1835 wordt hun zoon Bernardus Johannes geboren.

Op 16 juni 1842 trouwt hij in Leiden met Johanna Blansjaar. Hij is dan fabrikmaker en 43 jaar. Zij is 28 jaar en spinster van beroep. In augustus 1829 zit ze met haar ouders en haar vier broers als bedelaarsgezin in woning 60 van het 3e etablissement van Veenhuizen. Johanna overlijdt op 20 december 1844 in Veenhuizen.

Op 9 juni 1850 trouwt Dirk Gijsbert in Amsterdam voor de derde keer, met de naaister Raquel Bento. Beiden zijn 52 jaar. Ze staat geregistreerd als Raguel Jose Bento, geboren 24-10-1797 in Amsterdam.

https://allekolonisten.nl/nl/allekolonisten/persons?ss=%7B%22q%22:%22Ophoop%22%7D

Op 16 oktober 1827 belandt hij in Veenhuizen. Hij is afkomstig uit Rotterdam, en als geboortejaar wordt 1807 genoteerd. Op 2 juni 1830 wordt hij weer vrijgelaten. Hij is dus een bedelaar, en een hardnekkige. Hij wordt vaker opgepakt en tot straffen van soms wel drie jaar veroordeeld. Het verklaart ook zijn beroepen bij zijn huwelijken: wolspinner, fabrikmaker. Van het Engelse fabric. In 1838 klopt zijn geboortejaar. Hij belandt ook enkele keren in Ommerschans

Hij overlijdt op 29 december 1872 in de Plantaadje (Plantage) 52, nu de Plantage Parklaan., waar hij wordt verpleegd.

Haikobijna Haikes Bauerman.

Op 26 maart 1816 wordt de tienjarige vondeling Haycobina Bauman volgens de namenlijst van het Aalmoezeniersweeshuis naar Feijenoord gestuurd. Alleen, dat is niet haar naam. Ze werd op 10 april 1806 op de (Oudezijds) Achterwal ter hoogte van de Stoofsteeg gevonden, met een briefje. Daarop stonden haar naam en geboortedatum: Haikobijna Haikes Bauerman, geboren op 17 september 1805. Het weeshuis leest overigens Haijkobijma Haykes. De achternaam Haikes komt wel voor, hoewel zeldzaam. De voornaam Haikobijna is uniek. Je zou verwachten, dat met zo’n naam een speurtocht naar bronnen over het leven van Haikobijna makkelijk zou zijn. Niets is minder waar: de naam wordt, ook in officiële documenten, op vele manieren verhaspeld. Dat geldt ook voor de tweede voornaam én de achternaam. Haar geboortedatum klopt meestal niet. Zelfs haar geslacht ligt in de documenten niet vast!

Dit briefje had de vondeling bij zich. SAA: vondelingenboek 1806. Werd het geschreven door iemand die halfanalfabeet was en bedoelde die Jacobijna o.i.d.?

Het briefje werd vastgemaakt aan deze bladzijde. Zie: https://archief.amsterdam/inventarissen/scans/343/2.3.1.1.62/start/160/limit/10/highlight/2 Het was overigens een meisje, geen ‘jongentje’.

Andere varianten van de eerste voornaam: Haykobina, Haykobyna, Haikobijna, Jacoba, Haikobijma, Haijkobeijma, Harkobijna, Hijkobijna, Haijkobijna, Haikebijna, Harke Bijma, Heilo, De achternaam: Bauman, Rouwerman, Bouwerman, Buijerman.

Herman Misset, Oudezijds Achterburgwal met de Stoofsteeg. ca. 1900. SAA.

Nieuwbouwplan Tweede Laurierdwarsstraat 14-16/Rozenstraat 18-20/Schilderssteeg 24-28. 1899. SAA.